Normaal en meer dan normaal vermogensbeheer in de inkomstenbelasting




старонка5/5
Дата канвертавання24.04.2016
Памер122.13 Kb.
1   2   3   4   5

4.3 Omstandighedencatalogus


Uit de eerder vermelde uitspraken blijkt dat bij de invulling van de open norm vermogensbeheer de rechter kijkt naar een groot aantal feitelijke omstandigheden, waar deze steeds weer aan andere punten waarde hecht. Dit sluit aan bij de casuïstische benadering die de wetgever bedoeld heeft, maar komt de voorspelbaarheid en rechtszekerheid niet ten goede.
De auteur H.A.J.P. te Niet heeft uit de bestaande jurisprudentie een catalogus afgeleid met omstandigheden die de rechter bekijkt bij deze kwalificatie.44

Hier beoogt hij meer systematiek mee in de uitspraken te krijgen. Ook wordt het gewicht dat de rechters toekennen aan deze factoren inzichtelijk. Een probleem wat ik voorzie bij deze catalogus is dat de definitie van beleggen aan maatschappelijke veranderingen onderhevig is, en een hulpmiddel als deze catalogus op die manier al snel achter de feiten aan loopt. In de literatuur werd voor het verschijnen van dit voorstel al een kritische houding aangenomen ten opzichte van vaste normen, waarvan deze catalogus zich bedient, omdat deze lijst met omstandigheden nog steeds niet uitputtend is.45 Toch ben ik ervan overtuigd dat het meer houvast biedt dan dat er tot nu toe is. Het beleggingsbegrip zal op deze wijze niet worden veranderd of anders worden ingevuld, maar het biedt meer consistentie in de wijze waarop de kwalificatie normaal vermogensbeheer wordt gegeven en de grenzen worden getrokken.


De omstandighedencatalogus kent vijf pijlers, welke ik in het volgende onderdeel uitwerk:



  • Handelingen die niet alleen zijn gericht op het aanhouden van vermogensbestanddelen en op het behalen van periodieke opbrengsten

  • De aard van de werkzaamheden

  • De inzet van marktkennis en relaties (kwaliteit van de arbeid)

  • Het aantal bestede uren(kwantiteit van de arbeid)

  • De werkzaamheden van derden



4.4 Toepassing omstandigheden catalogus


Aan de hand van een actuele casus werk ik deze omstandighedencatalogus uit. Het betreft hier een vergelijkbare situatie waarover de Hoge Raad op 9 oktober 2009 zich uit heeft gesproken en welke ik eerder heb behandeld in de sleuteljurisprudentie. De Hoge Raad springt hier ruim met het begrip normaal vermogensbeheer om en acht daarom veel activiteit nog steeds ‘normaal’.

De belastingplichtige, persoon X koopt twee appartementencomplexen aan in verhuurde staat. Deze verbouwt hij en splitst hij op in meerdere appartementsrechten, om vervolgens gebouw nummer 2 te verhuren en gebouw nummer 1 in de verkoop te zetten.

Belanghebbende voert dit proces niet helemaal zelf uit, maar schakelt hiervoor de hulp van een notaris en een makelaar in. De eerste is hem tot dienst bij de splitsing en formele afwikkelingen bij de transacties, de makelaar brengt de appartementen aan de man.


  1. Handelingen die niet alleen zijn gericht op het aanhouden van vermogensbestanddelen en op het behalen van periodieke opbrengsten.

Persoon X verbouwt gebouw 1 met de intentie deze te gaan verhuren. Hij wil dit pand dus op de lange termijn aanhouden. Hiervoor is hij genoodzaakt om deze verbouwing uit te voeren, anders kan hij niet de optimale huuropbrengst genereren. De Hoge Raad bestempelt dit als normaal, actief vermogensbeheer. De normale exploitatie van een vermogensbestanddeel kan om een zekere inspanning vragen, zonder dat de verkregen inkomsten, huur, in arbeidsinkomsten veranderen.
Het tweede pand is een ander verhaal. Dit pand is aangekocht met de intentie om hier waarde aan toe te voegen en deze waarde daarna ook te realiseren bij verkoop. Het actieve element van het uitponden van deze appartementen, door ze te verbouwen en op te knippen voert hier de boventoon. Dit is een stereotype geval van de voorzienbare waardestijging.46

Iedere belegger wil zijn opbrengst optimaliseren, maar dan wel met de minimale inspanning, met een passieve houding dus. Hierbij merk ik op dat een deel van verkoopprijs bestaat uit een verdiscontering van de kosten van de leegstand tijdens de verbouwing en de verkoopperiode en dit is een passief prijselement, wat is ingeprijsd in de aankoopwaarde.

Dit is geen toegevoegde waarde die is behaald bij de verbouwing of splitsing, dus deze vergoeding hoort naar mijn mening bij het passieve gedeelte van de het vermogensbeheer.


  1. De aard van de werkzaamheden

Investeringen in vastgoed vragen naar hun aard meer aandachtsbesteding en energie dan investeringen in effecten of liquide middelen, voor vastgoed geldt dus een andere standaard. De belastingplichtige heeft nog steeds een passieve houding wat de aankoop en verbouwing betreft. Hij beslist en betaalt, maar besteedt de handelingen als zodanig uit aan deskundigen. In dit geval heeft de belanghebbende ook geen actie ondernomen om de huidige huurders eruit te krijgen, dus daar ontbreekt ook het element van extra arbeid en inzet. Dit vertrek leidt tot een onvoorzien voordeel, het was immers niet beoogd dat zij zo snel zouden vertrekken. Desalniettemin beoogt de belanghebbende wel waarde aan het object toe te voegen door zijn arbeid. Niet alleen fysieke, maar ook geestelijke inspanning, hoewel moeilijk meetbaar, kan dus als arbeid worden bestempeld. In de aard van de werkzaamheden ligt dus niet alleen het passief aanhouden van vermogen en innen van de periodieke inkomsten, maar ligt ook het actief bewerkstelligen dat er waarde wordt toegevoegd door de splitsing in appartementsrechten.


  1. De inzet van marktkennis en relaties (kwaliteit van de arbeid)

Het gaat hier om de kwalitatieve component van arbeid. Niet het aantal uren is hier van belang, maar de vraag of de arbeid en inzet van belanghebbende X waarde heeft toegevoegd, het bronvereiste. Deze factor speelt duidelijk een ondergeschikte rol in deze casus. Het is de inspanning van verbouwen en het vertrek van de huurders wat hem resultaat oplevert, maar het voordeel van zijn marktkennis en relaties staat niet vast. Al is het wel denkbaar dat deze van belang zijn geweest.

Dit element richt zich vooral op de vormen van (voor)kennis, zoal bedoeld in 3.91, lid 1, sub c, wanneer belanghebbende een tip zou hebben gehad of een relatie die hem een kennisvoorsprong zou bieden ten opzichte van de rest van de kopersmarkt. Dit element grenst aan de inzet van derden. Het verschil hiertussen zit hem in het feit dat de belanghebbende zelf de hoofdschakel is die de kennis inzet, en niet de notaris of makelaar die zijn eigen kennis toepast.




  1. Het aantal bestede uren(kwantiteit van de arbeid)

Het aantal bestede uren is geen vaste maatstaf. Wanneer X had gehandeld als ´normale´ belegger, had ook hij op zoek moeten gaan naar een geschikt object, onderhandelingen moeten voeren bij het sluiten van de koop, de notaris en de financiering regelen en huurders moeten zoeken. Deze uren zullen kwantitatief gezien behoorlijk oplopen, maar dit leidt niet ten allen tijd tot het te boven gaan van normaal vermogensbeheer. Zoals ook in de uitspraak van de Hoge Raad op 18 september 2009 is gebleken moet er een causaal verband zijn tussen de verrichte inspanning en het resultaat dat wordt behaald.


  1. De werkzaamheden van derden

Belanghebbende X heeft de appartementen gesplitst met de wetenschap dat dit het appartementencomplex in zijn totaliteit meer waard zou maken. Hiervoor maakte hij gebruik van een notaris die de juridische handelingen verrichtte en de akten passeerde.

Verder heeft het hof van Leeuwarden hier op 13 januari 2006 over geoordeeld dat het inschakelen van een notaris voor het splitsen in appartementsrechten werkzaamheden meebrengen die normaal vermogensbeheer te boven gaan, omdat de handeling van de notaris bijdraagt aan de waardestijging van het complex.


Het inschakelen van een makelaar is voor het beheer en verkopen van de appartementen een activiteit die een normale belegger ook uit zou kunnen besteden.

Voor normale vastgoedbeleggers is het gebruikelijk dat zij de verhuur, het innen van de huur en het in de verkoop plaatsen uitbesteden aan een makelaarskantoor. Dit is een normale beleggersactiviteit.


Aan de hand van dit instrument wordt de analyse van een casus een stuk helderder en begrijpelijker voor de buitenwereld. Door een vaste maatstaf te hanteren bij iedere andere casus, wordt de kans dat er wordt ‘gemeten met twee maten’ kleiner. Tegelijkertijd heeft de rechter nog steeds de mogelijkheid om in elke specifieke casus een ander gewicht in de onderlinge verdeling van de elementen toe te kennen.
  1. Conclusie


Ut sementem feceris ita metes

"Zoals je zaait zal je oogsten"

5.1 Probleemstelling


Op basis van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 wordt belasting geheven van Nederlandse belastingplichtigen over het inkomen uit onroerende goederen. De wetgever heeft de intentie om inkomsten uit arbeid hoger te belasten dan de inkomsten die dit vermogen zelf genereert. Door middel van het begrip meer dan normaal vermogensbeheer in artikel 3.91, lid 1, sub c, wordt de grens getrokken tussen werkzaamheid en belegging. Hierop spitst mijn onderzoeksvraag zich toe:

Waar ligt de grens in de inkomstenbelasting tussen normaal vermogensbeheer in Box 3 en meer dan normaal vermogensbeheer als resultaatgenieter in Box 1?’


5.2 Conclusie


Het antwoord is niet direct eenduidig te geven, aangezien de term normaal vermogensbeheer een open norm is, waarvan de invulling aan maatschappelijke verandering onderhevig is.

Bij de beantwoording van deze vraag worden de feitelijke activiteiten van onderhavige belastingplichtige vergeleken met de maatschappelijk aanvaarde norm van ‘normale belegger’, met name wat zijn rol is in het uitbaten van het vermogen.

Fungeert deze als spin in het web of stond hij slechts als geldschieter aan de zijlijn. Aan de hand van deze activiteiten, de wijze waarop het vermogen is samengesteld en gefinancierd en de hoeveelheid risico die de belastingplichtige loopt wordt getoetst of dit alles voldoet aan het totaalbeeld van ‘normaal vermogensbeheer’.
Dit totaalbeeld wordt bepaald aan de hand van drie kenmerken van vermogensbeheer die in de rechtspraak door de jaren heen zijn uitgekristalliseerd. Geen van deze drie pijlers kan op zichzelf aanduiden van welke categorie vermogensbeheer er sprake is, de combinatie van de drie bepaalt het eindoordeel. De eerste pijler is de aard en omvang van de werkzaamheden, hieruit wordt afgeleid of en in welke mate de werkzaamheid waarde toevoegt. De tweede pijler is het beoogd rendement en risico, aan de hand hiervan wordt bepaald of de particulier alleen rendement wenst te behalen uit de periodieke opbrengst van de onroerende zaak zelf, dit wordt als normaal rendement beschouwd. Wanneer hij meer dan dit normale rendement wil behalen, door middel van arbeid en inspanning waarde aan de zaak toe te voegen, komt hij in de richting van meer dan normaal vermogensbeheer. De laatste pijler is de wijze waarop de belanghebbende het vermogen aanwendt. De omloopsnelheid en samenstelling richten zich niet op de arbeid maar op het vermogen, en hoe dit vermogen wordt aangewend.
De jurisprudentie heeft met toepassing van deze drie elementen een steeds nauwkeuriger invulling gegeven aan het begrip vermogensbeheer, met name in de recente rechtspraak van het afgelopen jaar. De rechtspraak bedient zich van het volgende kwalificatieproces.

Het arrest van 3 mei 2002, waarin middels twee brieven werd verzocht om een bouwvergunning en het caravanarrest, waarin een stalling voor caravans werd verhuurd,

lieten zien dat de arbeid moet ‘kwalificeren’. Deze arbeid moet gericht zijn op het meer dan alleen innen van de periodieke opbrengsten uit het vermogen of meer dan autonome waardestijging . Er moet dus sprake zijn van arbeid met de intentie waarde toe te voegen, en deze arbeid moet de inspanning die een andere, normale belegger zou verrichten te boven gaan. Wanneer deze stap is genomen, dan komt de volgende voorwaarde aan bod. De tweede eis is dat er sprake is van een causaal verband tussen de verrichte inspanning en het behaalde voordeel. Het 9 oktober arrest bevestigt dat het vermogen in waarde moet zijn gestegen of dat de opbrengst uit dit vermogen is gestegen de arbeid van de belanghebbende.
Als instrument om nog meer systematiek in de uitspraken te krijgen is de omstandighedencatalogus opgesteld. Hiermee wordt ook het gewicht dat de rechters toekennen aan deze factoren inzichtelijk. Het beleggingsbegrip zal op deze wijze niet worden veranderd of anders worden ingevuld, maar het biedt meer consistentie in de wijze waarop de kwalificatie normaal vermogensbeheer wordt gegeven en de grenzen worden getrokken.
De kwestie van rondom het normale vermogensbeheer behoort inmiddels tot de evergreens van de inkomstenbelasting. De Hoge Raad heeft inmiddels het begrip eens flink afgestoft door te stellen wanneer arbeid tot meer dan normaal vermogensbeheer leidt. Dit is het geval wanneer de particulier met meer dan noodzakelijke inspanning waarde aan zijn object toe wilde voegen, en deze waardestijging ook daadwerkelijk op deze geleverde inspanning is terug te voeren.
Twee belastingplichtigen die in een vergelijkbare situatie zitten, kunnen door de toepassing van deze onnauwkeurige norm, op een verschillende wijze worden belast. Beginnen met een open norm legt een bodem voor een open einde. Zoals je zaait, zul je oogsten.

Literatuurlijst

Literatuur:




  • H.A.J.P. te Niet, Het beleggingsbegrip in de directe belastingen, Deventer: Kluwer 2007

  • Sprenger van Eyk, De wet op vermogensbelasting, Den Haag: Martinus Nijhoff 1894

  • Sprenger van Eyk, De wet ter belasting van bedrijfs- en andere vermogensinkomsten, ’s Gravenhage: Martinus Nijhoff 1894

  • E.J.W. Heithuis e.a., Inkomstenbelasting, Kluwer, Deventer 2008

  • L.G.M. Stevens, Elementair Belastingrecht, Kluwer, Deventer 2007

  • VS Inkomstenbelasting 2001, 19 juni 2010, Kluwer, Deventer 2010

  • H.A.J.P. te Niet, Het beleggingsbegrip in de directe belastingen, Deventer, Kluwer 2007

  • R.M. Freudenthal, resultaat uit overige werkzaamheden, exclusief ter beschikking stelling, Deventer, Kluwer 2002

  • J.M. Barendrecht, Recht als model van rechtvaardigheid, Deventer, Kluwer 1992

Rechterlijke uitspraken:




  • Raad van Beroep Rotterdam, 9 april 1938

  • Raad van Beroep Zwolle 30 januari 1953, BNB 1953/116

  • Hof Amsterdam, BNB 1972/171

  • Hof Arnhem, V-N 1982/1919

  • Hof ’s Gravenhage, BNB 1968/192

  • Hof ’s Hertogenbosch, 18 september 2009, nr.08/00103

  • Hoge Raad 14 november 1934 en 28 december 1939

  • Hoge Raad, BNB 1981/299

  • Hoge Raad, BNB 1958/186

  • Hoge Raad 15 juli 1983, nr. 21.830, BNB 1983/252

  • Hoge Raad 11 november 2005, nr. 40.246, NTFR 2005/1509

  • Hoge Raad 3 mei 2002, nr. 36.984, BNB 2002/219

Artikelen uit vakliteratuur:




  • J.E.A.M. van Dijck, WFR 2006/1129, Onduidelijke wettelijke begrippen

  • J. E. A. M. van Dijck, Vermogensbeheer, WFR 1976/141

  • G. Renken-Röhrs, Steuerrecht - Drei-Objekt-Grenze, advogarant.de

  • J.P. Boer, NTFR2009-2202

  •  J.P. Boer, NTFR2009-2716

  • J.P.A. Buitenhek, NTFR2010-1192

  • R.M. Freudenthal, Normaal (vermogensbeheer) is al gek genoeg, NTFR2002-1241

Kamerstukken & beleid:




  • Kamerstukken II, 1998-1999, 26 727, nr. 2

  • Kamerstukken I, 1999-2000, 26 727, nr. 202a

  • Kamerstukken II, 1999-2000, 26 727, nr. 7

  • Staatssecretaris van Financiën, Besluit van 30 november 2001, nr. CPP2001/3035M

Statistische gegevens




http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?VW=T&DM=SLNL&PA=80056NED&LA

1 Centraal Bureau voor de Statistiek, Samenstelling vermogen van particuliere huishoudens 2009,

Den Haag, 2009



2 H.A.J.P. te Niet, Het beleggingsbegrip in de directe belastingen, Deventer, Kluwer 2007, p. 3

3 J.E.A.M. van Dijck , WFR 2006/1129, Onduidelijke wettelijke begrippen


4 Kamerstukken II 1998-1999, 26 727 nr. 3 pagina 132

5 Bijvoorbeeld Hoge Raad, FED 1986/1238

6 Sprenger van Eyk, De wet op vermogensbelasting, Den Haag, Martinus Nijhoff 1894, p. 52

7 E.J.W. Heithuis e.a., Inkomstenbelasting, Kluwer, Deventer 2008, p. 7

8 L.G.M. Stevens, Elementair Belastingrecht, Kluwer, Deventer 2007, p. 92

9 Vrijstellingen en andere uitzondering in Box 3 buiten beschouwing gelaten.

10 Staatssecretaris van Financiën, Besluit van 30 november 2001, nr. CPP2001/3035M

11 VS Inkomstenbelasting 2001, 19 juni 2010, Kluwer, Deventer 2010

12 E.J.W. Heithuis, P. Kavelaars & B.F. Schuver, Inkomstenbelasting, FED studieserie, Kluwer, Deventer 2008

13 Prof. J. E. A. M. van Dijck, Vermogensbeheer, WFR 1976/141


14 Sprenger van Eyk, De wet ter belasting van bedrijfs- en andere vermogensinkomsten, ’s Gravenhage,

Martinus Nijhoff 1894



15 H.A.J.P. te Niet, Het beleggingsbegrip in de directe belastingen, Deventer, Kluwer 2007 p. 24

16 H.A.J.P. te Niet, Het beleggingsbegrip in de directe belastingen, Deventer, Kluwer 2007 p. 27

17 Hof Amsterdam, BNB 1972/171

18 Hoge Raad 14 november 1934 en 28 december 1939

19 Hof Arnhem, V-N 1982/1919

20 Hoge Raad, BNB 1981/299

21 Gabriele Renken-Röhrs, Steuerrecht - Drei-Objekt-Grenze, advogarant.de

22 RvB Rotterdam, 9 april 1938

23 Kamerstukken I, 1999-2000, 26 727, nr. 202a

24 Kamerstukken II, 1999-2000, 26 727, nr. 7

25 J.P. Boer, NTFR2009-2202

26 Hof ’s Gravenhage, BNB 1968/192

27 R.M. Freudenthal, resultaat uit overige werkzaamheden, exclusief ter beschikking stelling,

Deventer, Kluwer 2002, p. 17



28 Hoge Raad, BNB 1958/186

29 Hoge Raad, BNB 2010/207*

30 J.P. Boer , NTFR2009-2202

31 Hoge Raad, BNB 1983/252

32 VN 2009/49.20


33 Hof Den Bosch 18 september 2009, nr.08/00103

34 mr. J.P. Boer, NTFR2009-2716

35 VN 2010/10.15

36 Raad van Beroep Zwolle 30 januari 1953, BNB 1953/116

37 R.M. Freudenthal, resultaat uit overige werkzaamheden, exclusief ter beschikking stelling,

Deventer, Kluwer 2002



38 HR 11 november 2005, nr. 40.246, NTFR 2005/1509

39 Hoge Raad 29 januari 2010, 09.00033

40 mr. J.P.A. Buitenhek, NTFR2010-1192

41 Hoge Raad3 mei 2002, 36 984, BNB 2002/219

42 R.M. Freudenthal, Normaal (vermogensbeheer) is al gek genoeg, NTFR2002-1241

43 R.M. Freudenthal, Normaal (vermogensbeheer) is al gek genoeg, NTFR2002-1241

44 H.A.J.P. te Niet, Het beleggingsbegrip in de directe belastingen, Deventer, Kluwer 2007 p. 27

45 J.M. Barendrecht, Recht als model van rechtvaardigheid, Deventer, Kluwer 1992

46 Hoge Raad van 15 juli 1983, nr. 21.830, BNB 1983/252

1   2   3   4   5


База данных защищена авторским правом ©shkola.of.by 2016
звярнуцца да адміністрацыі

    Галоўная старонка