Normaal en meer dan normaal vermogensbeheer in de inkomstenbelasting




старонка3/5
Дата канвертавання24.04.2016
Памер122.13 Kb.
1   2   3   4   5

3. Welke toetsingskaders worden gebruikt bij de kwalificatie van vermogensbeheer?

3.1 Inleiding


In beginsel heeft de wetgever de intentie om actieve inkomsten in Box 1 en passieve inkomsten in Box 3 te belasten. De burger die wordt aangeslagen voor zijn vermogen of activiteiten, moet vooraf duidelijkheid krijgen over wat voor grondslag de heffing plaatsvindt. Het open laten van de term normaal vermogensbeheer is daarom ongelukkig, aangezien het maar net is vanuit welk perspectief dit moet worden beschouwd.13 De particulier die een garagebox verhuurt, hier een administratie van houdt en de huur int heeft een andere perceptie van wat voor zijn doen nog ‘normaal’ is dan de makelaar die de pareltjes uit de huizenmarkt zelf opkoopt en verhandelt. Vanuit dit perspectief gezien zijn alle werkzaamheden die beiden verrichten noodzakelijk om hun beoogde resultaat te behalen, en dus niet meer dan ‘normaal’.
In dit hoofdstuk ga ik in op de uitleg door de praktijk en de punten waar zijn het vermogensbeheer aan toetsen om tot een kwalificatie te komen.

3.2 Traditie


Het ligt in de Nederlandse rechtstraditie om open normen te hanteren in de Nederlandse belastingwetten. Hiermee wordt het nauwkeurig definiëren van begrippen uit de weg gegaan, dit zorgt voor een flexibel wettelijk systeem wat met de maatschappelijke ontwikkelingen meegroeit. De minister van financiën Pierre Tirard in 1893 hierover: ‘Ik acht het opnemen van deze definitiën bedenkelijk, onraadzaam en overbodig. In de Bankwet 1863 is geen definitie gegeven van een bankbiljet, hetgeen nooit eenig nadeel heeft teweeg gebracht.’14

3.3 Ruwe schets


De rechtspraak heeft zelf een aantal feiten en omstandigheden voortgebracht waaraan kan worden getoetst of de bewuste activiteit als normaal vermogensbeheer of meer dan dat kan worden beschouwd. De rechter maakt deze afweging bij ieder individueel geval opnieuw. Hierbij is het belang dat aan ieder kenmerk van het beheer een ander gewicht wordt toegekend, afhankelijk van de dan spelende feiten en omstandigheden.15 Geen van deze elementen is op zichzelf doorslaggevend, het gaat om de samenloop van de elementen.

In dit onderdeel zet ik deze drie elementen waaraan getoetst wordt uiteen. Het inkomen uit werkzaamheid en inkomen uit de onderneming onderscheidt zich niet voor de hamvraag of de hoeveelheid arbeid en inspanning het normale vermogensbeheer te buiten gaat, er wordt namelijk op dezelfde punten getoetst. Om binnen de kaders van deze scriptie te blijven beperk ik mij tot het meer dan normaal vermogensbeheer als resultaat uit overige werkzaamheden.


3.4 Drie toetsen


De jurisprudentie is door de eeuw heen op drie hoofdlijnen aan het uitkristalliseren.

De aard en omvang van de activiteiten, het beoogd rendement en risico en als laatste de wijze van samenstelling en omvang van het vermogen moeten meewegen in het oordeel over normaal vermogensbeheer. Hier komen drie eigenschappen van meer dan normaal vermogensbeheer uit voort. Deze behandel ik in dit onderdeel.


3.4.1 Aard en omvang van de activiteiten

De rechter velt zijn oordeel in eerste instantie op basis van de activiteiten als belastingplichtige verricht in vergelijking met wat een doorsnee particuliere belegger in dat geval doet. Hier wordt bekeken in hoeverre inzet van de factor arbeid een bijdrage levert aan de rendementen die worden behaald. Deze arbeidstoets is nog niet doorslaggevend en niet ‘hard’ te noemen, omdat dit nog steeds geen materieel minimum formuleert om tot een onderneming of werkzaamheid te komen. Er wordt in deze toets geen harde grenzen, zoals een urencriterium of vooraf vastgestelde toegevoegde waarde benoemd. Alleen in voor de hand liggende gevallen kan deze toets van doorslaggevende factor zijn.16 Bijvoorbeeld een makelaar die met vreemd vermogen drieëntwintig zwaar verwaarloosde panden opkocht, opknapte en verhuurde. Hieromtrent oordeelde het Hof dat ‘dit een en ander zoveel bemoeiingen vroeg, dat belanghebbende hieraan een belangrijk gedeelte van zijn tijd moet hebben besteed’.17

Een uitzondering op de verrichte arbeid die heeft bijgedragen aan het behaalde resultaat is de arbeid welke is verricht door derden, aangezien de Hoge Raad zich hierover heeft uitgesproken dat deze arbeid niet aan de belastingplichtige wordt toegerekend.18

Daaraan moet worden toegevoegd dat de omvang van de arbeid die in zijn totaliteit moet worden verricht dusdanig hoog is, dat deze inkomsten niet langer slechts als belegging maar als onderneming of als werkzaamheid kunnen worden gezien.19


3.4.2 Beoogd rendement en risico

De recentere jurisprudentie weegt in toenemende mate de factor beoogd rendement en risico zwaarder mee. Hiermee is de zogenoemde meerwaardetoets in het leven geroepen. Het oogmerk om meer resultaat te behalen dan de belegger bij normaal vermogensbeheer zou hebben gedaan, leidt tot heffing over deze meerwaarde in Box 1.20 De arbeidstoets maakt hier nog steeds onderdeel van uit, aangezien objectief vaststaat dat door de inzet van arbeid in aard en hoeveelheid meer rendement wordt beoogd.


De meerwaarde op een belegging of investering kan worden verhoogd door of meer arbeid in te zetten of door meer risico te nemen.
Om van normaal naar meer dan normaal te schakelen is alleen een wijziging in het risicoprofiel aan de financieringswijze onvoldoende, zoals de belegger die extra kapitaal inleent om meer van zijn al lopende activiteiten verder te kunnen ontplooien. De wijziging in risicoprofiel is pas van belang indien dit (ook) tot uiting komt in de manier waarop de middelen worden aangewend. Aan deze activiteiten moeten grotere risico’s kleven waar een hoger rendement aan tegenover moet staan.
3.4.3 Samenstelling en omvang van het vermogen

De omvang van het vermogen waarmee wordt geïnvesteerd weegt ook mee in het oordeel of sprake is van normaal dan wel meer dan normaal vermogensbeheer. Een groot vermogen komt eerder in aanmerking voor een bedrijfsmatige wijze van exploitatie dan een bescheiden vermogen. De werkzaamheden die bij een klein vermogen horen zullen namelijk eerder in de buurt komen bij die van een normale belegger. Bij grotere vermogens kan daarentegen ook nog steeds sprake zijn zuivere van kapitaalbelegging.

De snelheid waarmee het vermogen wordt omgezet in stenen en weer terug weegt ook mee. Dit is ook in leidend in het Duitse en Oostenrijkse belastingrecht, waar door middel van de Drei-Objekt-Grenze wordt beslist dat wanneer vermogen in 3 verschillende kapitaalobjecten heeft gezeten, binnen afzienbare tijd, 5 jaar, er sprake is van speculatie welke een normale belegger niet zou aangaan. 21 Het Duitse recht laat hiermee zien dat het wel mogelijk is kwantitatieve eisen te stellen binnen dit begrip, door een fictiebepaling die harde en duidelijke grenzen stelt.
Naast de snelheid, speelt ook de spreiding van risico mee. De veronderstelling is dat een normale belegger zijn risico laag houdt, en zal daarom zijn vermogen gaan spreiden wanneer dit vermogen relatief groot wordt. De Hoge Raad oordeelde in het geval van een belegger welke 22 panden verhuurde, maar daarnaast ook nog een aanzienlijke effectenportefeuille en spaartegoeden bezat, dat deze panden als onderdeel van zijn gespreide beleggingen moesten worden gezien. 22 Wanneer deze belegger het bedrijfsmatig had geëxploiteerd, zou hij al dit vermogen in zijn betwiste activiteit hebben gestoken.

Ik kan mij zelf niet in dit vereiste vinden, aangezien een belegger die een zekere omvang aan beleggingsvermogen heeft opgebouwd, dit niet per definitie slechts in één vorm van activiteiten zal stoppen om zichzelf ook in te dekken tegen risico’s.


Voor het oordeel of vermogensbeheer als een ondernemingsactiviteit wordt gekwalificeerd, spelen de inzet van het kapitaal en de arbeid, met in het achterhoofd de intentie om meerwaarde te creëren, of alleen een periodieke vergoeding voor het object te ontvangen.

Wanneer deze intentie ontbreekt, kan er van een onderneming geen sprake meer zijn.

Feitelijke gegevens zoals de frequentie van aan- en verkoop, de inzet van marktkennis en relaties, de aard van de werkzaamheden, het aantal daadwerkelijk bestede uren en ook de duur van de activiteit geven richting aan deze invulling.

1   2   3   4   5


База данных защищена авторским правом ©shkola.of.by 2016
звярнуцца да адміністрацыі

    Галоўная старонка