IJsbeer lJsbeer (Ursus maritimus) Engels




Дата канвертавання22.04.2016
Памер47.67 Kb.



Ouwehands Diereninformatie

IJsbeer

lJsbeer (Ursus maritimus)

Engels : Polar bear

Duits : Eisbär

Indeling

Klasse : zoogdieren Mammalia

Orde : roofdieren Carnivora

Familie : beren Ursidae

Geslacht : echte beren Ursus

Verwantschap : de ijsbeer is verwant aan de andere grote beren

(bruine beer, Aziatische beer, Amerikaanse zwarte



beer, brilbeer, lippenbeer), de grote en de kleine

panda en de kleine beren (neusbeer, slankbeer,

rolstaartbeer, katfret, wasbeer).

Afstamming : De familie der Miacidae (kleine zoogdieren met een

lange staart die 30 - 50 miljoen jaar geleden

verschenen) staat aan de basis van de drie

hoofdvertakkingen: de katten, de honden en de

zeehonden. Cephalogale (ten tijde van het Oligoceen

circa 40 miljoen jaar geleden) wordt beschouwd als

de stamvader van de beren. Hij had het formaat van

een vos. Fossiele resten uit het Mioceen (24 tot 5

miljoen jaar geleden) worden toegedacht aan

vertegenwoordigers van een jonger geslacht Ursavus.

Dit is de voorvader van de huidige beren. Ook dit dier

was niet veel groter dan een hond. Men vermoedt, dat

Agriotherium en Indarctos, beide vertegenwoordigers

van de uitgestorven onderfamilie Agriotheriinae,

ontstaan zijn uit Ursavus depereti. Beide geslachten

leefden in het Plioceen (5 tot 2 miljoen jaar geleden)

en het Pleistoceen (2 miljoen tot 10.000 jaar geleden)

en kwamen over het hele noorden van de Oude en

Nieuwe wereld voor. Agriotherium evolueerde meer in

de richting van predator, terwijl Indarctos zich in de

richting van herbivoor ontwikkelde. Deze laatste wordt

beschouwd als voorouder van de grote panda.

Twee andere takken ontwikkelden zich uit Ursavus.

Eén produceerde beerachtige carnivoren met lange

poten en korte snuiten, Arctodus simus en de veel

kleinere Plionarctos, de voorvader van de brilbeer. Uit

de andere tak evolueerde de stamvader van de echte

beren. Via Ursus minimus verscheen ongeveer 2,5

miljoen jaar geleden Ursus etruscus. Van deze grote

beer, de Etruskische beer, die vanuit Europa naar

Azië en Noord-Amerika trok, stammen de bruine

beer, de zwarte beer en de ijsbeer af.

Tijdens deze oversteek van Eurazië naar Noord-

Amerika bleven sommige dieren gevangen op het

pakijs en pasten zich aan aan de omstandigheden.

Hun organisme wijzigde zich, de kleur van de vacht

veranderde: de ijsbeer (Ursus maritimus) ontstond.

De grote beerachtigen zijn nauwer verwant aan de

marter- en kleine beerachtigen dan aan de

hondachtigen, ofschoon men dat op grond van het

gebit niet zou vermoeden. De grote beerachtigen

stammen af van een zijtak van de Amphicyonachtigen

uit het Laat-Tertiair (± 15 miljoen jaar geleden). Men

beschouwt het geslacht Ursavus uit het Mioceen

(15 - 30 miljoen jaar geleden) als stamvorm. Deze

kan op zijn beurt weer afgeleid worden van het

geslacht Cephalogale uit het Laat-Oligoceen (30 - 45

miljoen jaar geleden).



Uiterlijk

Kop-romplengte : mannetje: 200 - 250 cm, vrouwtje: 160 - 210 cm

Staartlengte : 8 - 10 cm

Schouderhoogte : 120 - 150 cm

Gewicht : 400 kg, zeer grote exemplaren tot 800 kg

Andere maten : ijsberen kunnen een snelheid van 25 - 40 km/uur

ontwikkelen.



Omschrijving uiterlijk : de ijsbeer behoort tot de grootste landzoogdieren. De

romp is fors, de kop relatief klein. De poten zijn groot

en voorzien van scherpe, sterke nagels. Dit stelt het

dier in staat een prooi in één klap te vellen.

Verder is een goede grip op het ijs op deze manier

gewaarborgd. De voorvoeten zijn het grootst, met een

doorsnede van ca. 30 cm. Elke voet is voorzien van

zwemvliezen, waardoor de ijsbeer ook uitstekend kan

zwemmen. De ogen en oren zijn klein. Door de

frontale plaatsing van de ogen kan de ijsbeer goed

afstand schatten. De oren zijn met haar bedekt,

waardoor warmteverlies wordt beperkt. De neus is,

net als de rest van de opperhuid, zwart. De ogen zijn

donkerbruin. De vachtkleur van jonge dieren is wit.

Oudere dieren zij vaak wat gelig.

Speciale aanpassingen : de voetzolen zijn voorzien van korte, stijve haren.

Het dier wordt hierdoor tegen de kou beschermd,

maar de haren werken bovendien als een soort

"anti-slip".

De huid van de ijsbeer is zwart. Dit biedt, in

combinatie met de witte vacht, een uitstekende

isolatie.

De ondervacht bestaat uit donshaar, kort en dicht. De

bovenvacht bestaat uit lange, holle haren die met

lucht zijn gevuld. Ook deze combinatie draagt weer bij

tot het "binnen houden van de warmte".

In het water wordt alleen de bovenvacht nat. De

haren kleven samen, waardoor een bedekking wordt

gevormd die de ondervacht beschermt.

De ijsbeer heeft een onderhuidse speklaag van

ongeveer vijf tot tien cm dik. Dit ook weer ter

bescherming tegen de kou.


Voortplanting

Paartijd : maart - mei

Paargedrag : de korte ontmoetingen tussen mannetjes en

vrouwtjes vinden van april tot juni plaats. Mannetjes

volgen de geursporen van vrouwtjes en lokaliseren ze

op die manier. Het vrouwtje is drie weken

ontvankelijk. Er moet meerdere keren gepaard

worden, voordat er een eisprong plaatsvindt.



Draagtijd : ± 240 dagen. lnnesteling van een bevruchte eicel

gebeurt niet direct na de bevruchting. De eicel blijft

enige tijd in de eileider en de ontwikkeling staat stil.

Pas in het najaar vindt innesteling in de

baarmoederwand plaats en komt de ontwikkeling op

gang. Men noemt dit verlate implantatie. De echte

draagtijd duurt ± drie maanden.

Ongeveer tegelijkertijd met de innesteling van de

bevruchte eicel begint de moeder met het bouwen

van een sneeuwhol. Dit doet ze, zodra ze in oktober

het vaste land heeft opgezocht. De opening van zo'n

sneeuwhol is altijd van de wind afgekeerd. Na het

graven laat het dier zich insneeuwen, waardoor de

sporen verdwijnen. Het moederdier verkeert in een

lethargische toestand en teert op vetreserves. Het

dier gaat in winterrust. De lichaamstemperatuur daalt

ongeveer 5°C. Ze urineert en ontlast zich niet,

waardoor het hol schoon blijft.



Plaats/tijd van geboorte : het hol is een soort iglo van ± 2,50 m doorsnede en

1,50 m hoogte. De ingang geeft toegang tot twee

kamers van 0,50 tot 1,00 m doorsnee.

Door de lichaamswarmte is de temperatuur in het hol

ongeveer 10°C hoger dan daarbuiten. De welpen

worden vanaf december geboren.

Worpgrootte : één - twee, bij uitzondering drie

Aantal worpen : gemiddeld één worp per twee jaar
Jongen

- geboortegewicht : 300 - 700 gram

- geboortelengte : 18 - 20 cm

- ogen openldicht : de ogen zijn dicht.

- oren openldicht : de oren zijn dicht.

- beharing : dun, na ± drie maanden is de pels dicht.

- uiterlijk : pasgeboren ijsberen lijken nog helemaal niet op een

beer.


Zoogtijd : één - twee jaar

Zelfstandig : na ± twee jaar

Geslachtsrijp : vrouwtjes: drie - vier jaar (eerste worp pas na vijf -zes

jaar). Mannetjes: zes - acht jaar.



Overig : pasgeboren ijsberen zijn hulpeloos. De ogen gaan na

28 - 30 dagen open. De jongen zijn gevoelig voor kou.

Moeder houdt ze warm door ze tussen haar poten,

dicht tegen zich aan te houden. Ze verwarmt ze ook

wel met haar adem. De moedermelk is vet, waardoor

de jongen snel groeien. In maart, april verlaten ze

voor het eerst het hol. Moeder begeleidt ze en ze

gaan niet verder dan één tot twee km bij het hol

vandaan. Bij het minste alarm schieten ze weer

terug in hun schuilplaats. Ze blijven nog ongeveer 30

dagen in de buurt van het hol en overnachten er. In

het voorjaar en de zomer zwerven ze op het pakijs,

op zoek naar plaatsen om te leren jagen. Jonge

ijsberen leren al spelend. In de herfst zoeken moeder

en jongen weer een hol op om te overwinteren.

De jongen zijn dan zo groot als een flinke hond met

een gewicht van ± 50 kg. Gedurende deze winter

wisselen ze hun gebit en worden ze gespeend.

Sommige jonge dieren blijven tot twee jaar bij hun

moeder, andere gaan eerder weg en trekken in

groepen met broers en zusters op.

Leefwijze

Sociale structuur : de ijsbeer heeft geen territorium. Mannetjes leven

in de regel solitair, vrouwtjes meestal in gezelschap

van hun jongen. Soms worden spontaan groepen

gevormd rond een grote prooi of op plaatsen waar

door warme zeestromingen veel robben bij elkaar

zijn. IJsberen kunnen hun hele leven in hetzelfde

gebied doorbrengen, maar ze kunnen ook een

gebied doortrekken dat zesmaal zo groot is als

Nederland. Dit hangt volledig van de voedselvoorraad

af. Er zijn dieren die, tijdens het smelten van het ijs,

het zich terugtrekkende pakijs in noordelijke richting

volgen.


Weer andere blijven aan de kust en leiden een vrij

inactief leven. Mannetjes en niet-drachtige vrouwtjes

blijven in de winter op het pakijs.

Voedsel : over het gehele jaar genomen vormen zeehonden of

robben zo'n 90% van het voedsel. De belangrijkste

prooidieren zijn: stinkrobben, zadelrobben,

baardrobben en klapmutsen. Aan het eind van de

winter zijn de pasgeboren robben een gemakkelijke

prooi voor de ijsbeer. Hij vangt ze op het pakijs, maar

lokaliseert ze ook in de holten waarin ze zijn geboren

(tot 1,50 m onder de sneeuw). Het jonge dier wordt

dan uitgegraven en huid en spek worden verorberd,

althans in de winter. De rest van het prooidier laat hij

liggen voor “anderen". IJsberen eten ook wel dode

dieren. In de zomer worden prooidieren schaarser. De

ijsbeer trekt zich dan terug naar de kusten en voedt

zich daar met bessen, wortels, kruiden en wieren.

Verder staan ook vogels, vissen en hun eieren op het

menu.


Jachttechniek : prooidieren worden, door verrassing, op het ijs

gevangen of, wanneer ze komen ademhalen in een

wak. Op het ijs zorgt de ijsbeer, dat hij de prooi tegen

de windrichting in nadert. Hij bedekt zijn zwarte snuit,

al lopend, min of meer met zijn voorpoten, waardoor

de neus niet opvalt. Zodra een rob zijn snuit laat zien,

slaat de ijsbeer, die aan de rand van het wak heeft

zitten wachten, met zijn poot. Ondanks zijn

handigheid en geduld slaagt hij maar in 18% van de

gevallen. Nadat hij een buit heeft bemachtigd, kan de

ijsbeer wekenlang vasten en teren op de ongeveer

70 kg in zijn maag!



Gebit : het ijsberengebit heeft de volgende gebitsformule:

I: 3/3; C: 1/1; PM: 4/4; M: 2/3 = 42.



Activiteit : ijsberen zijn zowel overdag als 's nachts actief.

Overwintering : drachtige vrouwtjes gaan in een soort winterrust.

Oude dieren houden ook een winterrust. Die

duurt ongeveer twee maanden.

Communicatie : contacten tussen soortgenoten vinden voornamelijk

plaats d.m.v. geuren. Bij woede brengen ze gebrul en

geschreeuw voort.

Zintuigen : het reukvermogen is uiterst scherp: ijsberen kunnen

op kilometers afstand een prooi ruiken. Gezicht en

gehoor zijn normaal ontwikkeld.

Verspreiding

Habitat : de ijsbeer leeft op het ijs van kustzeeën.

Aanwezigheid van ijs is een voorwaarde, omdat de

beer dit gebruikt als platform tijdens de jacht op

robben.


Woongebied : de ijsbeer komt voor langs ijskusten in het hele

Noordpoolgebied. Het pakijs op de Noordpool zelf en

direct daaromheen wordt gemeden, omdat daar

weinig tot geen voedsel is te vinden.



Natuurlijke vijanden : ijsberen hebben geen natuurlijke vijanden.

Overig

Maximale leeftijd : ± 30 jaar, gemiddeld 25 jaar

Bedreiging : de ijsbeer is niet echt bedreigd, de aantallen nemen

zelfs toe. (15.000 - 40.000 individuen)



Bescherming : de ijsbeer staat op IUCN Red List of Threatened

Animals genoteerd op Lijst 2 als Lower Risk,

conservation dependent. Door beschermende

maatregelen wordt de ijsbeer niet direct met



uitsterven bedreigd.

Bijzonderheden : in tegenstelling tot wat iedereen verwacht, leven

ijsberen niet alleen op een harde ondergrond van ijs.

De dieren trekken met het pakijs mee en zijn

zodoende in bepaalde jaargetijden ook op



moerassige grond te vinden.

Ouwehands Dierenpark, Postbus 9, 3910 AA, Rhenen

Tel: 0317 650 200 Fax: 0317 613 727 E-mail: info@ouwehand.nl


База данных защищена авторским правом ©shkola.of.by 2016
звярнуцца да адміністрацыі

    Галоўная старонка