Het geheim van de dag- en nachtroofvogels




Дата канвертавання27.04.2016
Памер58.05 Kb.

Wetenschappelijk schrift :

Het geheim van de dag- en nachtroofvogels




De nachtroofvogels

Behorend tot de familie der strigidae (afkomstig van het Latijnse “strix, strigis” wat “uil” betekent), zijn uilen nachtvogels.

Ze jagen bij het vallen van de avond en rusten overdag.

We treffen ze in de hele wereld aan. Hun natuurlijke domeinen zijn wouden, woestijnen en jungles.

Overdag verstoppen ze zich in bomen, in oude gebouwen, in kerktorens of in stallen. Hun gevlekt vederkleed vormt dan ook een uitstekende camouflage. Bepaalde soorten kunnen ook overdag jagen wanneer prooien zeldzaam zijn.

In het Nederlands wordt steeds de term “uil” gebruikt. De Franse taal maakt echter een onderscheid tussen “hibou” en “chouette”. Het enige verschil is de aanwezigheid van oorpluimpjes op de kop van de “hibou”. Deze karakteristieke pluimen hebben niets met zijn oren te maken.


De morfologie van de strigiformes is aangepast aan hun levenswijze. Ze hebben drie bijzondere aanpassingen ontwikkeld :


1/Het zicht

In tegenstelling tot andere vogels staan de ogen van de strigidae op de voorzijde van de kop. Hun grote ogen, omgeven door oogkransen, zijn gevoelig aan de minste schemering.

De oogbollen zijn geheel onbeweeglijk, wat hun gezichtsveld reduceert, maar deze handicap wordt gecompenseerd door de extreme beweeglijkheid van de kop die tot 270° kan draaien zonder dat het lichaam in deze beweging betrokken wordt.



2/Het gehoor

Dankzij de aanwezigheid van een uiterst fijn gehoor, plaatsen deze vogels zich in aanvalshouding bij het minste geluid afkomstig van hun prooien. Hun faciale ringen dienen als akoestisch relais.



Bovendien is de kwaliteit van hun gehoor duidelijk superieur aan de onze daar de auditieve holtes asymetrisch geplaatst staan aan elke zijde van de schedel. Dit laat een heel precieze lokalisatie van de geluidsbronnen toe.



3/ De geluidloze vlucht

Hun pluimen zijn gekarteld en bedekt met een heel zacht donslaagje. Dit vermindert de effecten van wrijvingen. Bovendien wordt het geluid van de vleugelslagen gedempt door de bijzondere schikking van de pluimen op het uiteinde van de vleugels.

Hun opzwellend vederkleed en bepluimde poten maken hun vlucht volledig geluidloos.
In alle stilte storten ze zich op kleine knaagdieren waarmee ze zich voeden en voeren deze mee, ingesloten tussen hun klauwen.

De strigidae verteren noch beenderen, noch pelzen van hun prooien, maar spuwen deze weer uit onder de vorm van braakballen.

Dit is gemakkelijk te zien bij de analyse van braakballen.




De vorm van deze braakballen en de positie van de beenderen en schedels van prooien maken het mogelijk de soort te determineren. Een interessante opmerking: sommige dagroofvogels, kraaiachtigen (Corvidae) (raven, kraaien, ...) meeuwen, grote zeemeeuwen en reigers spuwen eveneens braakballen uit.

De Konijntjesuil is een kerkuil met de grootte van een merel (ongeveer 23 cm). Zijn gedragingen en levenswijze zijn heel opmerkelijk daar hij de enige soort is behorend tot de roofvogels die zijn nest in een holte in de grond maakt.

Hij leeft in de woestijnachtige gebieden van het zuiden van de Verenigde Staten tot Zuid-Amerika, waar bijna geen enkele natuurlijke schuilplaats te vinden is tenzij de holtes van andere dieren. Hij graaft eveneens zijn eigen holtes door gebruik te maken van heel krachtige klauwen die zich op zijn vingers bevinden.

Zijn grote kop met zijn twee naast elkaar geplaatste ogen met geel gekleurde iris bezorgt hem een bijna menselijke expressie.


Deze soort vertoont zich veel meer overdag dan de andere “chouettes”. Zijn voedselregime bestaat uit een grote variëteit aan kleine zoogdieren, verschillende reptielen en grote insecten zoals meikevers.



De Sneeuwuil is één der grootste strigidae. Hij is ook de enige met een wit vederkleed. Deze uil leeft in de toendra’s van de arctische zone. Hij jaagt ook overdag, zoals alle roofdieren van het Hoge Noorden: gedurende de arctische zomer zijn de nachten namelijk heel kort. Het is dan ook voor hem de enige mogelijkheid om te overleven.

Het betreft een schuwe vogel die zich levenslang koppelt aan zijn partner.

Het gevlekte vederkleed van het wijfje helpt haar om zich te verstoppen tussen de rotsen. De camouflage is levensbelangrijk voor een vogel die zelfs op de grond nestelt.



De Oehoe is de grootste uil van Europa. Ondanks zijn indrukwekkend voorkomen, is deze uil een rustige gast van wouden, totaal ongevaarlijk voor de mens. Deze nachtelijke jager bezit natuurlijke wapens die van hem een te vrezen vijand maken. Hij verkiest zoogdieren van middelmatige lengte. Zelfs voor een vossenjong schrikt hij niet terug!
Een twintigtal jaren geleden was de oehoe een zeldzaamheid in Europa. De jacht en de pesticiden hadden deze soort op de rand van de uitsterving gebracht. Geslaagde reïntroductieprogramma’s en beschermingsmaatregelen hebben het oehoe-bestand genormaliseerd.

Het is echter heel moeilijk de oehoe in de natuur op te merken daar hij overdag niet actief is en uitrust op takken.

De Laplanduil is de grootste “chouette”. Hij bezit een langwerpig silhouet. Zijn lengte is bijna equivalent aan deze van de oehoe. We kunnen deze uil herkennen aan zijn enorme, karakteristieke oogkransen (concentrische cirkels) . Aan weerszijden van de snavel treffen we een wit “kwartmaantje” aan. Zijn ogen zijn zwart en geel gekleurd. Zijn ronde kop vertoont geen oorpluimpjes.
Het vederkleed van de laplanduil is grijs gekleurd en onregelmatig gespikkeld; met wit en donkergrijs gemarmerd.

Het wijfje lijkt op het mannetje, maar is iets groter. Haar gewicht bedraagt ongeveer 800 gr en haar spanwijdte kan een lengte van 1,40 m bereiken.

Het betreft hier een zeldzame soort waarvan weinig koppels opgemerkt worden.

De voortplanting vindt meestal plaats in oude nesten van roofvogels. De paringsrituelen beginnen in maart en kunnen tot half mei duren. De eieren worden vanaf begin april tot begin mei gelegd. Deze periode kan echter duren tot half juni. Bij gebrek aan prooien nestelt het koppel niet. De broedtijd bedraagt 28 à 30 dagen. Gedurende deze periode is het wijfje heel agressief en schrikt ze er niet voor terug iedereen aan te vallen die haar benadert. 20 à 30 dagen later verlaten de jongen het nest. Ze verkeren nog niet in de mogelijkheid correct te vliegen. Rond de leeftijd van 55 dagen is hun leertijd voltooid. De familie blijft verenigd tot half september.

De laplanduil voedt zich vooral met knaagdieren, waaronder lemmings, woelmuizen, veldmuizen, hazen, ... Ondanks haar grote lengte maakt ze enkel jacht op kleine prooien. Een volwassen uil eet ongeveer 4 knaagdieren per dag; elk jong verorbert er twee.

De grote, faciale ringen laten hem toe zijn prooien onder de sneeuw te lokaliseren enkel dankzij geluiden. Zijn zicht maakt het hem ook mogelijk prooien op 1 km afstand op te sporen.

De Briluil, afkomstig uit Zuid-Amerika, vormt een uitzondering onder de strigidae wier vederkleed meestal weinig zichtbaar is. Deze soort bezit een oranje-gele borst. De kop is zwart gekleurd en vertoont een witte tekening gelijkend op de vorm van een bril.

Het vederkleed van de jongen verschilt sterk van deze van de volwassen uilen. De jongen zijn volledig wit gekleurd, maar vertonen reeds het masker. Ze evolueren naar een bijna volledig lichtgele kleur met zwarte kop en bruine vleugels.

Deze briluil is een nachtvogel en wordt in de natuur dan ook zelden opgemerkt. Overdag rust hij uit op een tak; ’s nachts jaagt hij. Bij maneschijn laat hij zijn meest actieve kant zien.

Hij voedt zich met kleine gewervelden of met krabben gevangen in mangroves. Hij rooft ook nesten van bepaalde zangvogels en vangt ook vogels, in bomen levende kikkers en grote insecten.

We herkennen de Kerkuil aan zijn groot faciaal masker in de vorm van een hart en aan zijn roest-zilverachtig vederkleed. Hij bezit lange “benen” bedekt met korte pluimen. De onderkant van het lichaam is meestal wit gekleurd bij de westerse en meridionale vogels, bleekgeel gevlekt bij de oosterse.

De kerkuil snurkt precies op dezelfde wijze als een snurker, maar laat geen uitademingsgeluiden horen. Deze vogel kan ook langdurige krastonen aanhouden. Zijn stem heeft niets te maken met die van andere nachtvogels.

Er bestaat een legende betreffende deze kleine uil: Op het einde van de 19de eeuw waakte men dag en nacht rond het bed van een zieke. Bij valavond werden kaarsen aangestoken en de luiken gesloten. Maar deze met kleine spleten, lieten echter lichtstralen door.

In de duisternis werden verschillende nachtelijke insecten dan ook aangetrokken door dit licht. Vleermuizen en nachtelijke vogels, zoals onder andere de kerkuil, maakten gretig van de situatie gebruik om zich te komen bevoorraden. De kerkuil liet dan een “lugubere” kreet horen. Als de zieke toevallig die nacht stierf, schreef men zijn dood toe aan de kerkuil. Om het onheil te verdrijven, werd de kerkuil vastgespijkerd op een stal- of kerkpoort.



De dagroofvogels

Arenden, valken en buizerds zijn dagroofvogels behorend tot de orde der falconiformae. Ze kenmerken zich door de aanwezigheid van een gekromde bek, een vooruitstekende wenkbrauwboog, lange poten met mobiele vingers en krachtige en scherpe klauwen.


Met behulp van hun uitzonderlijk gezichtsvermogen jagen deze prooivogels op gewervelden. Ze kunnen hun prooi lokaliseren op verschillende kilometers afstand.
De aasgieren, vertegenwoordigd door de gieren, vormen echter een afzonderlijke groep. Ze voeden zich uitsluitend met kadavers. Ondanks hun slechte reputatie, zijn deze vogels heel nuttig: door karkassen te verscheuren, verminderen ze het risico op epidemieën. Ze vormen dan ook de “vuilnismannen van de natuur”.

De grote roofvogels leggen meestal 1 à 2 eieren per keer, de kleine roofvogels daarentegen tot 6 eieren.

De meeste mythes kennen aan de arend een goddelijke oorsprong toe, waar we toch wat dieper op moeten ingaan.

Sinds de prehistorie is de mens gefascineerd door deze vogel. We bewonderen zijn kracht, zijn lengte en elegantie.

Sinds ongeveer een vijftigtal jaren geleden, begrijpen we ook beter het leven van de arenden. Deze vogel moest progressief verdwijnen uit zijn vertrouwelijk territorium vooraleer we ons vragen begonnen te stellen.

Zowat overal ter wereld besteden duizenden observatoren hun vrije tijd aan de observatie en de gedragsanalyse van deze heersers van de lucht.

In een eerste stadium konden analyses van braakballen (proppen bestaande uit beenderen, veren en haren die de vogels via hun bek uitbraken) niet met precisie de exacte samenstelling van hun dieet weergeven. Slangen, eieren of aardwormen, een veelgebruikte voeding gedurende het slechte seizoen, laten sporen na.

Dankzij uitrustingen die vergezichten toelaten en dankzij een geduldige observatie konden we de precieze voedingsgewoontes van deze roofvogels ontdekken.


Een verrassing ....
Dit dier, dat zoveel kracht en macht uitstraalt, is eigenlijk voorstander van weinig werk. Hij zoekt dan ook de gemakkelijkste voeding: indien mogelijk een dood dier, wat minder energieverbruik vergt. Of anders een marmot, een konijn, een klein spits- of woelmuisje. Hij zal enkel bij uiterste nood jagen op een vos of een lammetje.

Zijn doordringende blik is zijn beste troef. Zijn ogen, die groter zijn dan zijn hersenen, vormen één van de mooiste elementen behorend tot het dierenrijk.


Geen enkele vogel kan beter vliegen
Bij de roofvogels is alles ondergeschikt aan het vliegen: een weerstandig en licht skelet, een groot ademhalingsvermogen, atletisch gebouwde spieren, een heel glad vederkleed om niet al te veel wind te vangen. En vooral, een enorm draagvlak, heel brede vleugels om zich te laten meevoeren met opstijgende luchtstromingen, eindpluimen die als bijkomende vleugeltjes dienst doen en een staart, om het traject te wijzigen.
Maar de mooiste acrobatieën voert hij enkel uit voor zijn partner: golvende vlucht, opstijgende glijvlucht gevolgd door een duikvlucht die beëindigd wordt met een plotse opstijging. Of nog beter: de vreemde ceremonie waarbij de twee partners langzaam dalen, terwijl ze elkaar met hun klauwen vasthouden, tot op het randje van de vrije val, terwijl ze luide kreten laten horen.
Ondanks hun groot aantal troeven is de overleving van de arenden in de hele wereld bedreigd.
Tijdens de jaren 50 hebben ornithologen, die bezorgd waren omwille van de catastrofale vermindering van de roofvogelpopulatie, de schuldige ontmaskerd: namelijk het DDT. Dit pesticide op basis van organische chloorverbindingen is heel efficiënt om parasietinsecten te doden, maar stapelt zich op in dierlijke vetten en doorloopt op deze manier de hele voedselketen.

Op het einde van deze keten aten arenden en gieren reeds vergiftigde dieren op. Ze stierven niet, maar de schalen van hun eieren braken nog voor de ontluiking.


Vandaag de dag is DDT verboden op bijna alle continenten. Maar andere boosdoeners bedreigen hem: elektrische palen waaraan de vogels zich elektrocuteren, eiverzamelaars die hun collectie willen uitbreiden, zonder de nieuwe bedreiging te vergeten: de stap- en klimfanaten die erin slagen tot in de meest geïsoleerde gebieden binnen te dringen, met als gevaar een nest zodanig te verstoren dat de ouders de jongen definitief verlaten.

Gelukkig waken de vrienden van roofvogels. Zowat overal ter wereld verhogen ze het aantal observaties, beschermen ze de broedsels en proberen ze deze vogels terug in te voeren daar waar ze verdwenen waren.



De Europese zeearend is een betere visser dan jager. Een zin afkomstig uit de Ierse poëzie beschrijft hem als : "de arend met de gouden ogen".


We moeten nochtans teruggaan tot het jaar 1898 om een spoor te vinden van het laatste koppel dat in dit land werd opgemerkt. Jagers hebben vele zeearenden gedood. Gif, bestemd voor zwerfhonden en vossen doodde de rest.
De Ierse wetgeving zette alvast een eerste stap in de goede richting door het gebruik van gif als lokaas te verbieden.
Met behulp van voortplantingsprogramma’s in gevangenschap, de oprichting van natuurreservaten en een geduldige reïntroductie maakt de zeearend vandaag de dag zijn terugkeer.

Enkele cijfers tonen aanmoedigende resultaten: in 1960 werden in Europa 235 voortplantingskoppels « in het wild » geteld. In 1990 steeg dit cijfer tot 510 en in 2002 telden we 1121 koppels.


Het mannetje, aanwezig in Paradisio, is afkomstig uit een centrum van Tel-Aviv en wordt met de hand gevoederd. Hij is dus sterk van de mens afhankelijk en kan dus, door deze tussenkomst, niet deelnemen aan een reïntroductieprogramma in de natuur.
Hebben ze jongen ?
Het eerste jong (Ohad) van ons koppel werd geboren op 29/03/1999 en uit voorzorg, met de hand opgevoed vooraleer hij naar de Burger Zoo in Arnhem (Nederland) werd overgebracht waar hij bijzonder goed geadopteerd werd door zijn nieuwe ouders en stiefbroers.

Op 25/05/1999 werden Ohad en zijn broer naar Israël overgevlogen en meer bepaald naar Ohad Hatzofe (de verantwoordelijke van het “ Ramat Hanadiv Reintroduction Project ” reïntroductieprogramma). Op 01/07/1999 werden ze vrijgelaten. Dankzij een zendertje kunnen we hun reïntroductie op de voet volgen.

Het volgende jaar werden 2 nieuwe jongen enkel door de ouders opgevoed.



De Amerikaanse zeearend, de Amerikaanse verwant van de Europese Zeearend, is een roofvogel die imposante afmetingen vertoont. Hij vormt het symbool van de Verenigde Staten. Hij nestelt in de buurt van rivieren, grote meren of de zee. Zijn lot is verre van benijdenswaardig en dit om dezelfde redenen: onbezonnen jacht en het gebruik van pesticiden.

We treffen de Amerikaanse zeearend nog uitsluitend aan in Alaska, in het westen van Canada en in bepaalde parken van Florida.


U denkt misschien dat deze roofvogels weinig plaats hebben in hun volière...
Zoals u reeds hoger kon lezen, rusten deze vogels graag uit: ze vliegen enkel uit noodzaak. Het zoeken naar voedsel vormt een dagelijks probleem, vooral wanneer het nageslacht talrijk is. De zoektocht naar een partner verplicht hen ook tot vliegen. Dit vraagt veel energie. Wanneer ze zeker zijn alles te bezitten wat nodig is, vliegen deze vogels niet of nauwelijks. Dit is het geval in een volière: ze vinden er voedsel en een partner. Bovendien staan ze niet blootgesteld aan de gevaren van een leven in het wild. Hun levensduur is er dan ook veel langer.

De Andescondor is een mythische vogel aan wie de Inca’s respect en bewondering zwoeren.

Zijn spanwijdte kan de 3m20 bereiken. Het vederkleed van de volwassenen is zwart met witte slagpennen. De nek vertoont een kransje witte pluimen. De kop en de hals zijn ontdaan van pluimen en vertonen een purperen kleur. Het mannetje onderscheidt zich van het vrouwtje door de aanwezigheid van een kleine kam op de rug.


De Buizerd is een roofvogel die we in onze streken aantreffen. Hij bezit een bruin vederkleed, een korte, vierkante en gestreepte staart, een zwarte, gekromde bek en gele poten van middelmatige lengte. Het is de meest voorkomende der grote roofvogels: hij vertoeft in beboste zones aanpalend aan open gebieden. De buizerd is een sedentaire vogel. Het vrouwtje bouwt haar nest op een grote boom en versiert dit met bladeren, mossen, haren, ...



De Koningsgier is een aasgier die een bijzondere aanpassing aan zijn leefmilieu, namelijk de dichte wouden van de tropische zone van Zuid-Amerika, ontwikkeld heeft. Hij is in staat vanop afstand de geur van een dood dier te ruiken, wat heel zeldzaam is bij vogels daar deze meestal een weinig ontwikkelde reukzin bezitten.
We zien gieren steeds met een kop ontdaan van pluimen daar ze zich voeden met krengen en gewoon zijn sommige stukjes vlees binnen de karkassen te zoeken. Wanneer ze pluimen op hun kop zouden bezitten, zouden deze voortdurend besmeurd zijn.

Het woordje van onze valkenier

Het is een bijzonder voorrecht met deze vogels te mogen samenwerken.

Zowel door hun houding, als door hun gedragingen dwingen ze respect af.
Ze zijn het symbool van vrijheid, van kracht en van aanpassingsvermogen. Het is dan ook een eer met deze vogels te mogen werken en tegelijkertijd een uitdaging om deze symbolen waardig te zijn.
Om ze te kunnen beschermen, om van hen te kunnen houden, is het noodzakelijk hen te observeren en hen te leren kennen. We nodigen u hiertoe dan ook met veel enthousiasme uit.

We kunnen deze vogels temmen, maar nooit domineren. Integendeel, op hun beurt zullen zij u temmen.

Prooivogels behoren niet tot de huisdieren.

Enkel de sympathie en het begrip kunnen deze dieren van de uitsterving redden en daarvoor hebben we uw hulp nodig!


Dank u!

Koen, valkenier in Paradisio


Enkele opmerkelijke wetenswaardigheden in verband met Paradisio



Een kweekcentrum voor beschermde diersoorten ter bestrijding van de internationale handel van bedreigde soorten.
In Paradisio bezit de overgrote meerderheid vogels gesloten ringen. Ze werden geboren in gevangenschap (eerste, tweede of derde generatie) en er ook gekweekt. Dit is zowel het geval voor Europese als voor exotische soorten. De dieren aanwezig in Paradisio zijn, sinds hun jonge leven, gewoon aan een contact met de mens en aan door hem klaargemaakt voedsel. Ze zijn aan zijn aanwezigheid, als aan het klimaat van onze streken gewend geworden.

Ze zijn afkomstig uit zoölogische parken verspreid over de hele wereld (Europa, Japan, Nieuw-Zeeland, Zuid-Afrika, de Verenigde Staten, …).

Paradisio verkoos om dieren niet weg te nemen uit de natuur en om te strijden tegen de internationale handel in wilde dieren.

Een heel strikte wetgeving

Belangrijke wetteksten werden opgesteld zodat de bescherming van bedreigde diersoorten, zowel in Europa als op andere continenten, verzekerd zou zijn.

Bepaalde, heel zeldzame, soorten mogen nooit deel uitmaken van een handelstransactie en kunnen enkel onder instellingen uitgewisseld of geleend worden.

Op internationaal vlak beschermen de teksten van de Conventie van Washington (CITES) bedreigde diersoorten. Deze teksten regelen de te volgen procedures. Om een, door de Conventie geviseerd dier, te ontvangen, is het noodzakelijk een CITES-certificaat, afgeleverd door het federaal Ministerie van Landbouw, die de relatieve gegevens betreffende de identiteit van het dier noteert, te verkrijgen. Het is eveneens geschikt het dier te identificeren met behulp van een ring of micro-chip, zijn medische opvolging te verzekeren en de in zijn evolutie bevoegde autoriteiten te informeren.


De Conventie betreffende de internationale handel van de in fauna en flora bedreigde soorten (CITES) heeft als doel de handel in levende speciën of dode dier- of plantensoorten, bedreigd met de onmiddellijke uitsterving, te verbieden en de potentieel bedreigde soorten aan een controle te onderwerpen.
Zij groepeert 3 bijlagen:

  • bijlage I omvat soorten die met de onmiddellijke uitsterving bedreigd zijn. Handel in deze soorten is verboden.

  • bijlage II groepeert soorten die niet onmiddellijk met de uitsterving bedreigd zijn, maar die het zouden kunnen worden. Handel blijft toegelaten.

  • bijlage III beschrijft potentieel bedreigde soorten die door bepaalde landen beschermd zijn. Handel blijft toegelaten.

Voor de Europese vogels zijn de Europese richtlijn 79/409 betreffende de bescherming van wilde vogels, de Belgische wetgeving betreffende het algemeen welzijn van het dier en de verordening van de Waalse Regering betreffende de bescherming van de vogels, van kracht.

Voor Paradisio was het een erezaak al deze reglementeringen in acht te nemen: alle beschermde dieren genieten toelatingen, afgeleverd door het Waals Gewest, of bevatten CITES-certificaten.


Voortplantingsprogramma’s van heel bedreigde soorten

Sommige personen menen dat het niet wenselijk is diersoorten die, vanop het ogenblik dat hun overlevingsvoorwaarden in het wild niet meer verenigd zijn, met de uitsterving bedreigd zijn, in gevangenschap te houden en voort te planten.

Paradisio wil zich niet aansluiten bij deze fatalistische visie. De nefaste invloed van de mens vormt geen onomkeerbaar gegeven.
In afwachting van betere tijden, verhindert niets een handje toe te steken aan de instandhouding van deze soorten door actief aan uitwisselings- en voortplantingsprogramma’s deel te nemen, hopende op deze manier deze dieren ooit terug te kunnen invoeren in de natuur.

Dit is echter niet verwezenlijkbaar voor alle soorten. We nemen echter wel deel aan het behoud van een genetische reserve. Het is noodzakelijk voldoende verschillende speciën van eenzelfde soort te bewaren om problemen van bloedverwantschap te vermijden.

Het is ook goed eerst te denken aan het behouden van een omgeving en van GEZONDE natuurlijke milieus in plaats van te wachten op de bedreiging van sommige soorten (fauna en flora) vooraleer te HANDELEN. Beter voorkomen dan genezen!

Paradisio neemt deel aan een dertigtal projecten geregeld door het E.E.P.-programma (European Endangered Species Program), uitgevoerd op het Europese continent. Dit programma dat wordt opgevolgd door de Europese zoo’s, betreft diersoorten die in de hele wereld bedreigd zijn, van de kleinste (bv. bepaalde slakkensoorten) tot de grootste (olifanten) !

Bepaalde soorten die zich op de rand van de uitsterving bevonden, werden dankzij voortplantingsprogramma’s in gevangenschap, gered. Dit is onder meer het geval voor de Hawaï-gans, aanwezig in Paradisio.
Paradisio werkt samen met het ISIS ( International Species Information System ) dat 420 instellingen, verspreid over de hele wereld, groepeert en alle gegevens over alle, in parken aanwezige diersoorten, centraliseert.

Continue verzorgingen voor alle residenten

In Paradisio ontvangt de << quarantaine >> de dieren bij hun aankomst. Na hun reis vinden ze er de kalmte terug en leren ze er vertrouwd te raken met de zorgen die ze, gedurende hun hele verblijf in het park, zullen genieten.

Elk van hen wordt ook onderworpen aan meerdere gezondheidstests die kunnen uitmaken of hij al dan niet drager is van parasieten of bacteriën. Een dierenarts die gespecialiseerd is in de zoölogische pathologie, komt elke week de wetenschappelijke directeur van het Park bijstaan en raad geven. Wanneer de controles beëindigd zijn en het resultaat gunstig is, worden de dieren naar de voor hen voorbehouden plaatsen in het Park, overgebracht. In het ander geval, worden ze verzorgd.

Meerdere keren per dag, krijgen de dieren bezoek van de verzorgers voor het onderhoud van hun verblijfplaats, om hen te voederen en om zich te verzekeren dat alles goed gaat met hen.


Elk lid van de wetenschappelijke ploeg van Paradisio kent de residenten op en top. Een ongewoon gedrag trekt dan ook onmiddellijk hun aandacht. Op dat ogenblik worden preciezere controles uitgevoerd en indien nodig, adequate maatregelen genomen.
Laat ons opmerken dat dieren die in parken of zoo’s verblijven, langer leven dan in hun natuurlijk milieu, daar hun leven minder stresserend is. Ze ontmoeten geen vijanden, genieten van regelmatige medische controles, en van een adequate en evenwichtige voeding. Hun eieren hebben ook meer kans om tot maturiteit te komen (in de natuur zijn het vooral de jongste dieren die sterven).
Wat indien een dier ziek of gekwetst is ?
Het park heeft een erkende quarantaine; aangepast en voorzien om de dieren de nodige zorgen en medische hulp te geven.

Van zodra de wetenschappelijke ploeg een vreemd gedrag bij één van onze gasten opmerkt, wordt het diertje in observatie geplaatst en worden analyses uitgevoerd (bloed, uitwerpselen, speeksel, ...). Naargelang de diagnose, wordt een behandeling gestart. Op elk moment kan een dier in de quarantainezone geplaatst worden voor observatie, wanneer zijn gedrag niet normaal is. Hij kan er ook meer bijzondere zorgen toegediend krijgen.

We hebben reeds vermeld dat de levensduur van een dier in het algemeen veel langer is in een zoölogisch park dan in de natuur daar het leven er hard is: vanop het moment dat een dier verzwakt is (ziekte, verwondingen, ongeval, ouderdom, ...) wordt het een gemakkelijke prooi.

Wat gebeurt er met de dieren in de winter ?

De vogels die het meest gevoelig zijn aan de koude worden in serres ondergebracht waar de temperatuur constant blijft het ganse jaar door.

De meeste van onze volières zijn voorzien van een winterverblijf met een aangepast verwarmings- en belichtingssysteem.

Bepaalde soorten roofvogels, eenden, ganzen, pinguïns, fazanten, ooievaars, kraanvogels, papegaaien, … vrezen de koude niet en blijven dan ook de hele winter buiten.



Wat eten de dieren ?

Elke dag worden verschillende rondes van voedseldistributie georganiseerd. Het Park beschikt over frigo’s, koelruimtes en aangepaste keukens voor de bereiding en de bewaring van specifieke voedingen voor de talrijke aanwezige soorten.

De hoeveelheden voedsel die dagelijks naar het Park gevoerd worden, zijn indrukwekkend. Ieder jaar betreft het meer dan 100 ton voedsel !
Dagelijks gaat het over zowat 100 kg fruit, 20 kg verse groenten, honderden takken en andere vegetatie, 70 kg vis, 10 kg vlees, 60 kg kuikens, 200 kg granen en verschillende korrels, 3 kg meelwormen en levende insecten, een tiental eieren, kaas, yoghurt, olie, honing, gebakjes met rupsklaver, enz.

Alleen al onze pelsrobben, bijvoorbeeld, verorberen een slordige 30 kg haring per dag!

Elk dier krijgt regelmatig zijn portie supplementen (vitamines, mineralen, calcium, proteïnen,…) toegediend, gedoseerd volgens zijn noden.

Wij zien er ook op toe pigmenten toe te voegen aan de dagelijkse portie voeding van de rode ibissen en flamingo’s. Wanneer deze in hun voeding ontbreken, worden ze bleek … In de natuur zijn deze pigmenten aanwezig in bv. bepaalde garnalen.







База данных защищена авторским правом ©shkola.of.by 2016
звярнуцца да адміністрацыі

    Галоўная старонка