“De Godzoeker in een van positieve godsdienst vervreemde wereld”. De ontvangst van Spinoza in katholieke kringen (1897-1997)


Eeuwige waarheden en wijsgerige uitingen



старонка4/7
Дата22.04.2016
Памер135.05 Kb.
#22503
1   2   3   4   5   6   7

Eeuwige waarheden en wijsgerige uitingen


De ontmoeting tussen spinozisme en katholicisme kan mede verklaard worden door de specifieke wijze waarop deze richting in het Spinoza-onderzoek met het denken van onze wijsgeer omgaat. Men ziet namelijk de uitgeschreven en gedrukte teksten van een filosoof niet als het wezen van zijn denken, waaruit men vervolgens zijn filosofie op systematische wijze moet reconstrueren, voorzover de systematiek al niet in de tekst zelf te vinden is. Het wezen van zijn denken gaat er aan vooraf: het is een soort fundamenteel wereldbeeld waarvan de uitgeschreven filosofie slechts de aan de historische omstandigheden aangepaste en dus gebrekkige uitdrukking geeft. Dat maakt het de lezer natuurlijk gemakkelijker om zich Spinoza eigen te maken en hem onwelgevallige gedachten als secundaire dwalingen af te voeren. Het brengt de katholieke wijsgeer Robbers, die dit door Dunin Borkowski geformuleerde methodische uitgangspunt volledig onderschrijft50, tot een soort erasmiaanse verdraagzaam­heid. Zelfverzekerd denkend vanuit de overgeleverde Veritas perennis kan achter de dwalingen van de andersdenkenden dan nog altijd de goede wil worden opgespoord. Die goede wil bestaat dan voor Robbers bovenal in de erkenning van het mysterie Gods en de grenzen van het menselijke verstand in het begrijpen van God en universum. Robbers biedt wat dit betreft de meest heldere verwoording van de katholieke belangstelling voor Spinoza.

De katholieke reactie op Spinoza’s denken of op het neo-spinozisme van die tijd, wordt mijns inziens bepaald door twee fundamentele gedachten, die Robbers ook met zo veel woorden noemt. De eerste gedachte is dat de wetenschap haar plaats en grenzen moet erkennen. Het wetenschappelijke beeld van de werkelijkheid is noodzakelijk beperkt, aangezien het de eigenlijke zijnsgrond, te weten: God, niet kan bevatten. In tegenstelling tot de verlichte geesten die uit het wetenschappelijke wereldbeeld de overbodigheid of zelfs het niet-bestaan van God afleiden, zien de katholieke denkers omgekeerd hierin juist de grenzen van de wetenschap bevestigd. Niettemin, zo stelt Robbers vast, kan men bij Spinoza ondanks zijn omarming van de wetenschappelijke geest der zeventiende eeuw, toch een erkenning van die grenzen aantreffen, onder meer in het feit dat Spinoza de onkenbaarheid van God beaamt door te menen dat God een oneindig aantal attributen bevat, terwijl ons verstand er slechts twee kent. De tweede gedachte is dat God als persoon moet worden gedacht, zij het niet als evenbeeld van de eindige mens, maar als een oneindig persoon. Die persoonlijkheid komt bijzonder sterk tot uiting in de voorstelling van God als Vader.51 Hier ligt ongetwijfeld een groot misverstand, aangezien Spinoza’s kritiek op het antropomorfisme inzoverre doel mist, dat de leer van Gods persoonlijkheid begrepen moet worden in analoge zin en niet in ontologische zin. Spinoza lijkt dit onderscheid niet te maken.

Hoe dan ook: hier verschijnt een fundamenteel punt in de verhouding tussen Spinoza en het religieuze spinozisme waarbij katholieken aan kunnen sluiten. Het genoemde methodische uitgangspunt van Dunin Borkowski legitimeert de onderschikking van de wijsbegeerte aan de godsdienst, uiteraard niet in een traditionalistische zin, maar wat betreft de bron van de diepste waarheden. De teksten van Spinoza laten ogenschijnlijk niet toe deze richting op te slaan: filosofie en religie, filosofie en theologie, worden door Spinoza zo onderscheiden dat we toch tussen de regels door eerder van een onderschikking van de godsdienst aan de wijsbegeerte kunnen spreken. En Robbers laat er geen twijfel over bestaan dat deze richting gelijk komt te staan aan menselijke hybris: minachting in plaats van eerbied voor en dienstbaarheid aan God.

Er doet zich hier een merkwaardige verbinding voor die door Robbers, wanneer hij over Dunin Borkowski spreekt, ook met zoveel woorden wordt benoemd: wat bindt katholieken aan Spinoza wanneer ze er tegelijk op zulke fundamentele punten afstand van menen te moeten nemen? Zijn dit de eerste tekenen van twijfel aan hun geloof die hen een tegengestel­de denktrant op zijn minst als serieus te nemen alternatief doet verschijnen, ook al vergeet men nooit daarvan tegelijk verbatim afstand te nemen? Of is het een poging als zich emanciperende katholiek ergens bij te horen, een plaats te verwerven in de wijsgerige wereld zoals die gegeven is?


Andere blijken van wijsgerige toenadering


Ik wil hier nog twee katholieke denkers voor het voetlicht brengen, die Spinoza’s filosofie in belangrijke mate ernstig nemen, ook al blijven ze de afstand tussen spinozisme en thomisme benadrukken. Men kan ze zien als wijsgerig rijpere vormen van afweer, maar ook als pogingen het Roomse leven nog rijker te maken. Hoe dan ook blijft de kritiek op Spinoza’s pantheïsme de kern van de besprekingen.

Ik doel ten eerste op de studies van Nicolas Balthasar (1882-1959).52 Balthasar was een neo-thomist die zich sterk verzette tegen het positivistische klimaat, dat ook in katholieke kringen bestond. In zijn boek over de methode van de metafysiek is een groot stuk over Spinoza opgenomen, waarvoor hij in het voorwoord uitdrukkelijk aandacht vraagt aangezien de omvang daarvan het boek enigszins uit evenwicht brengt. De belangstelling voor Spinoza is ingegeven door een artikel van Paul Decoster (1886-1939)53, maar bovenal door de uitwisseling die tussen beiden bestond. Ik citeer het voorwoord:


Met de laatste [Decoster - MT] onderhield ik gedurende meer dan vijftien jaar een filosofische briefwisseling die voor ons zowel een aanmoediging als een beloning was. Spinoza was voor Decoster een filosoof waarover hij lang had nagedacht. Hij schreef mij daarover op 5 juni 1927: ‘Het realistisch pantheïsme is uiteindelijk in de vorm die Spinoza daaraan gegeven heeft, de enige afgeronde ontologie die sedert Aristoteles aan het daglicht is getreden ... Ik ben er sedert enige tijd van overtuigd, dat de aristotelisch-thomistische leer de volmaakste en scherpzinnigste analyse biedt, die ooit gemaakt is van de act en van de graden van het zijn, mits men haar leest in het licht van de notie van analogie. Spinoza is mij blijvend dierbaar - meer dan Aristoteles en de Heilige Thomas, ik zal het u maar bekennen -, ondanks de gebreken van zijn metafysica, ondanks de ordening van zijn bewijsvoering die bij voorbaat tot mislukken gedoemd is. De reden daarvan is, dat ik in hem het gevoel aantref - of het voorgevoel - van een intrinsecisme, waarvan u overigens de aanwezigheid beslist niet zult ontkennen, dat door het realistisch pantheïsme eerder wordt geschaad dan gediend. Daarom overleeft Spinoza ongetwijfeld de mislukking van zijn systematische uitrusting.54
Balthasar wijst Spinoza’s “intrinsécisme panthéiste” af omdat de ene substantie “niet kan beantwoorden aan de legitieme eisen van het metafysisch denken”. Volgens Struyker Boudier markeert dit debat een wending in “de receptie van Spinoza in katholieke milieus”:
Rasmetafysi­ci als Decoster en Balthasar moeten in elkaar, en in Spinoza, een geestelijke verwantschap hebben ontdekt, die verder ging dan de verschillen die hen scheidden. De vaak onwaardige scheldpartijen van weleer aan het adres van de pantheïsten die de Vrije Universiteit bevolkten en van Spinoza hebben plaats gemaakt voor een intellectuele samenspraak op hoog niveau.
In zijn boek over de methode van de metafysiek behandelt Balthasar “vooral Spinoza als representant van mislukte antwoorden” op “de vraag, wat denken, zijn en de rol van de metafysicus is”. Ook hier is Balthasar met Decoster in debat: de substantieleer doet geen recht aan de pluriformiteit der zijnden. Ook wordt Spinoza’s idee afgewezen dat onze kennis van de veelheid van eindige dingen in God als oneindig wezen grondt.

De jezuïet Alfons van Kol (1912-1975)55 schreef bij mijn weten slechts één artikel over Spinoza. Dit is evenwel om twee redenen het bespreken waard. Ten eerste bepleit Van Kol een zakelijke benadering van het denken van Spinoza en steekt hij zelfs zijn bewondering niet onder stoelen of banken. Niet alleen geldt voor hem het beginsel dat “eerbied tegenover dat andere denken een van de eerste vereischten is voor een eerlijke studie”, maar tegenover het pantheïstisch of monistisch denken geldt dit te meer


waar dit in de onwaarheid van de strikte eenheid van al het zijn toch zoo’n kostbaar element van waarheid bevat, zoo uitmunt door grootsche opzet, zoo veel dichter nadert tot ons Thomistisch denken dan vele andere systemen.56
De enige fout van Spinoza bestaat in “het miskennen van analogie - een fout echter die verschrikkelijk is waar ‘t gaat om metaphysiek”. Niettemin is de bewondering van Van Kol voor Spinoza groot. Terwijl anderen hebben gemeend in Spinoza’s denken logische tegenspraken te zien, heeft Van Kol “tot nog toe geen contradicties [kunnen] ontdekken”.57 Van Kol volgt overigens voor een deel de in het begin van deze eeuw overheersend geworden niet-rationalistische interpretatie van het spinozisme: de rationaliteit is slechts de oppervlakte, de “diepste kern van het zijn is wezenlijk irrationeel, ondenkbaar”. Maar waar deze bij Spinoza buiten het denken zelf valt, kan het thomisme de samenhang blijven denken:
God transcendens immanens in de wereld: het is de korte samenvatting van S. Thomas’ leer over hun beider binding in het zijn; God en schepsel vereenigd tot een unitas realis analoga, nièt logica.58
De tweede reden waarom Van Kols tekst van belang is, is de directe discussie die hij aangaat met Carps karakterisering van het katholicisme, die maakt dat deze lijnrecht tegenover het spinozisme komt te staan. Terwijl in het katholicisme namelijk de bemiddeling van het goddelijke centraal staat, opteert het spinozisme voor een meer onmiddellijk contact met God of het goddelijke.59 Wellicht raken we hier ook de kern van het conflict tussen Spinoza’s denken en de katholieke denkwereld: kunnen we God of het goddelijke kennen zoals we de wereld kunnen begrijpen, of is God onkenbaar in deze zin en is het nodig Zijn bestaan en wezen langs andere wegen, en dus symbolisch bemiddeld, te doorgronden? De repliek van Van Kol is dat deze bemiddeling niet alleen eenvoudig in het leergezag van de kerk gevonden kan worden, maar zelf voor het verstandelijke denken toegankelijk is, mits men hier maar op analoge en niet op logische wijze te werk gaat. Men kan Van Kol hier tegen Carp in zoverre gelijk geven, dat een eenvoudige tegenstelling tussen autonomie en heteronomie wel al te gemakkelijk is en bovendien het spinozisme immuun maakt voor een wijsgerige ondervraging, bijvoorbeeld van de kant van het thomisme.

Каталог: teksten


Поделитесь с Вашими друзьями:
1   2   3   4   5   6   7




База данных защищена авторским правом ©shkola.of.by 2022
звярнуцца да адміністрацыі

    Галоўная старонка