“De Godzoeker in een van positieve godsdienst vervreemde wereld”. De ontvangst van Spinoza in katholieke kringen (1897-1997)


Een aanzet tot ‘bevrijding’ van Spinoza



старонка3/7
Дата22.04.2016
Памер135.05 Kb.
#22503
1   2   3   4   5   6   7

Een aanzet tot ‘bevrijding’ van Spinoza


Het vermogen van katholieke wijsgeren om Spinoza niet allereerst door de bril van de geloofsleer te zien (en daarmee als iemand wiens belang vooral gezocht wordt in zijn rol als ‘vijand’), maar enigszins onbevooroordeeld te lezen en te verklaren is niet in Nederland of België ontwikkeld, maar kwam in eerste aanzet van buiten. In Duitsland bestond al veel langer een sterk op een religieus pantheïsme steunende receptie van Spinoza’s filosofie35 en in dit klimaat werd het mogelijk Spinoza te bevrijden uit de doem waarin zijn naam was terecht gekomen. Hier moet ten eerste de naam van Stanislav von Dunin Borkowski genoemd worden, maar ook die van Carl Gebhardt. Dunin Borkowski was jezuïet. Beiden waren in die tijd vooraanstaande onderzoekers die voor het Spinoza-onderzoek van onschatbare betekenis zijn geweest. Zij brachten een meer religieuze interpretatie van Spinoza in het veld - het spinozisme als mystieke godsdienst - die het vervolgens katholieke denkers eenvoudiger maakte zich voor Spinoza te gaan interesseren. Bovendien veranderde Dunin Borkowski’s onderzoek naar de neo-scholastieke wortels van Spinoza’s denken de tegenstelling tussen thomisme en spinozisme in een verschil dat om vergelijking vroeg. De invloed van beiden op het Nederlandse spinozisme kan niet overschat worden. Gebhardt was de oprichter van de Societas Spinozana die zijn vestiging in Den Haag koos. Dunin Borkowski had aan het eind van de negentiende eeuw in Nederland gestudeerd als gevolg van de voor katholieken troebele toestand in Duitsland.36

Reeds kort na het verschijnen van het eerste deel van Dunin Borkwoski’s historische studie over Spinoza in 1910 verscheen er een “vriendelijk en meelevend verhaal” in vijf delen37 van de hand van de jezuïet Wim Mulder (1875-1936)38 die daarmee de toon door zijn medebroeders gezet doorbrak. Mulder was geschiedschrijver en schreef verder weinig over filosofie. Hij begint zijn verhaal39 niet als katholiek, maar als historicus die in alles belang stelt wat met de geschiedenis van Nederland van doen heeft, ongeacht of men gebeurtenissen betreurt of toejuicht. Daarom verdient ook Spinoza en zijn geschiedenis onze aandacht, aldus Mulder. Letterlijk schrijft hij:


In de volgende bladzijden zal ik mij tot een getrouw verslag bepalen, waarin natuurlijk slechts de hoofdlijnen van Despinoza’s philosofische ontwikkeling zullen uitkomen en ik mij geheel van critiek zal onthouden.
In navolging van Dunin Borkowski stelt hij vast40, dat Spinoza de scholastieke teksten niet goed genoeg kende om zich een juist beeld te vormen van de kwesties rond God en Zijn betrekking tot de wereld. Spinoza geeft daarom een enigszins karikaturaal of te gemakkelijk weerlegbaar beeld van deze opvattingen. Zijn gebrekkig begrip bracht hem tot pantheïsme.

Vanaf het begin van de jaren dertig vinden we studies over Spinoza die vanuit een geheel andere optiek en stijl geschreven zijn dan die van rond de eeuwwisseling. Het lijkt erop dat de bevordering van de neo-thomistische filosofie als katholiek denkraam vruchten begint af te werpen. De katholieke denker heeft inmiddels een filosofische scholing en een filosofisch zelfvertrouwen die hem de confrontatie met een filosoof als Spinoza vergemakkelijken. De huiver is overwonnen. Een zakelijke dialoog tussen neo-thomisme en spinozisme kan beginnen.


II

Een voorzichtige belangstelling


Niet aan de Vereniging Het Spinozahuis, maar aan de destijds wedijverende Societas Spinozana komt de eer toe de grondslag te hebben gelegd voor een toenadering tussen spinozistische en katholieke denkers. De aanzet kwam uit Duitsland, zoals gezegd. De mystieke interpretatie van Spinoza’s werk deed katholieken hun huiver overwinnen en zij begonnen Spinoza’s werk wat grondiger te bestuderen. Enkele vooraanstaande katholieke filosofen hebben van hun bevindingen uitvoerig verslag gedaan. Ik doel dan met name op de leeftijdgenoten Ferdinand Sassen (1894-1971) en Henry Robbers (1894-1970).41

Ferdinand Sassen was, samen met andere katholieken42, aanwezig op het Internationaal Wijsgerig Congres dat ter gelegenheid van Spinoza’s geboortejaar door de Societas Spinozana was opgezet en waaraan belangrijke Spinoza-vorsers uit die tijd deelnamen. De bijdrage van Sassen aan dat congres, opgenomen in de bundel die in 1933 verscheen onder de titel Septimana Spinozana, is op zijn minst merkwaardig te noemen: de naam Spinoza valt er niet één keer.43 Daarentegen houdt hij een algemene uiteenzetting over de verhouding tussen wijsbegeerte en godsdienst, waartussen hij geen tegenstelling ziet. Daarbij zet Sassen vooral een thomistische visie op het kennen uiteen. De verklaring voor deze terughoudendheid werpt een licht op de toenmalige verhoudingen binnen de moederkerk. Sassen was in het begin van de jaren dertig vanwege zijn openheid naar de niet-katholieke filosofie ernstig in conflict gekomen met bepaalde groepen in de Rooms-katholieke Kerk, waarbij hem zelfs het professoraat dreigde te worden afgenomen. Hij genoot echter bescherming van bisschop Schrijnen.44 Sassen bleef ondanks alles doorgaan de contacten met niet-katholieke filosofen te verbeteren, maar blijkbaar kon hij dit niet doen zonder voortdurend uitdrukkelijk de eigen geloofsleer en het thomisme ter sprake te brengen en zijn activiteiten te verdedi­gen.45 Sassen spreekt zelfs van een “Kampf zweier Welten”, van het feit dat van een toenadering tussen Spinoza’s stelsel en dat van de Thomistische wijsbegeerte geen sprake kan zijn, en dat beider leerstellingen over de verhouding tussen God en wereld “niet te verzoenen” zijn.46 Tegen de genoemde achtergrond zou men zich kunnen voorstellen dat hier ook sprake is van enige lippendienst. Hoe dan ook, als de kern van het diepe onderscheid tussen beide gedachtenwe­rel­den noemt Sassen:


De Thomist blijft in het zuiver-redelijk naar analoge kennis gevormde begrip van het Ipsum Esse Subsistens een degelijker basis vinden, zoowel voor een rationeel verband tusschen het eindige en het Oneindige, als voor de verhouding van zijn en behooren en voor de religieuze instelling van den mensch tegenover de Godheid, die in den geopenbaar­den positieven godsdienst haar bovennatuurlijke bekroning vindt.47
Het monisme bij Spinoza blijft problemen opleveren voor de thomist Sassen, maar dat neemt niet weg dat hij het de moeite waard vindt de leer op juiste wijze uiteen te zetten. Het spinozisme moet hem gefascineerd hebben, ondanks (of misschien wel dankzij) de verschillen. De genoemde artikelen vormen de eerste stappen op weg naar een langer verhaal over de geschiedenis van het spinozisme in Nederland en over Spinoza’s denken dat in de loop der jaren wordt uitgebreid (waarbij vaak teksten letterlijk worden hernomen), maar nooit fundamenteel wordt gewijzigd. Sassen zelf geeft ook aan wat de grond is van deze voorzichtige maar positieve wending naar Spinoza:
Men eerde Spinoza niet meer als een opstandige tegen dogma en kerk, maar als den Godzoeker in een van positieve godsdienst vervreemde wereld, en als den voorganger naar een hoogeren en zuiverder vorm van religie, waar men zelf buiten alle kerkverband of religieuze gemeenschap de behoefte zoo deerlijk aan gevoelde.48
De wending van de Nederlandse filosofie van een rationalistische, sciëntistische en vooral anti-godsdienstige wereldbeschouwing naar een denken dat veel meer aandacht en waardering voor religieuze ervaringen weet op te brengen of daaruit rechtstreeks voortkomt, vormt ook een belangrijk element in de geschiedschrijving door Sassen - in het bijzonder van het spinozisme. Daarbij doet hij het voorkomen alsof de Vereniging Het Spinozahuis een representant van het achterhaalde negentiende eeuwse denken is, waartegen de Societas Spinozana, die zich door de Duitse wijsgerige traditie liet inspireren, in opstand kwam om uiteindelijk het pleit te winnen.49

Voor de eigenlijke reden van deze belangstelling verwijst Sassen keer op keer naar een in het driehonderdste geboortejaar van Spinoza geschreven opstel van Henry Robbers, die de argumenten bevat voor een religieuze interpretatie van Spinoza’s denken.



Каталог: teksten


Поделитесь с Вашими друзьями:
1   2   3   4   5   6   7




База данных защищена авторским правом ©shkola.of.by 2022
звярнуцца да адміністрацыі

    Галоўная старонка