“De Godzoeker in een van positieve godsdienst vervreemde wereld”. De ontvangst van Spinoza in katholieke kringen (1897-1997)


Een eeuw katholieke Spinoza-receptie



старонка2/7
Дата22.04.2016
Памер135.05 Kb.
#22503
1   2   3   4   5   6   7

Een eeuw katholieke Spinoza-receptie


Men kan zich aan het eind van de negentiende eeuw ook de nachtmerrie van een katholiek voorstellen, die badend in het zweet, wakker schrikt nadat zijn onbewuste (lees: de duivel) hem ertoe heeft aangezet zich te bekeren tot de wijsbegeerte van Spinoza. Dat is toch wel het aardige van de jaren waarin de Vereniging Het Spinozahuis is opgericht: er wordt nog gescholden, er wordt nog hevig gepolemiseerd, we vinden er “het vuur van den hevigsten strijd voor de waarheid”.13 Men mag dat dogmatisme noemen, mits men daarbij bedenkt dat nagenoeg iedereen dogmaticus was. Van Vloten en zijn volgelingen trokken, met de Ethica in de hand, ten strijde tegen de godsdienst, de katholieken op hun beurt tegen de spinozisten. Dat Spinoza’s filosofie een strijdmiddel is tegen het geloof kan men ook bij de spinozisten zelf lezen. Neen, dan honderd jaar later. Een filosoof met een leidinggevende positie aan de universiteit waar ooit de katholieke wijsbegeerte herrees, is nu tevens voorzitter van de Vereniging Het Spinozahuis14 - en naar ik aanneem zonder nachtmerries. De strijdbijl is begraven. Maar in dit overzicht is het onvermijdelijk haar weer voor even op te graven.

Een algemene opmerking vooraf over de betrekking tussen spinozisme en katholicisme, of tussen het neo-spinozisme en het neo-thomisme is noodzakelijk.15 Over het geheel genomen moet ingezien worden dat Spinoza geen belangrijke plaats inneemt in het wijsgerige denken van katholieken. Voor de meesten is Spinoza, als hij al gezien wordt, slechts één van de vele denkers die men in de handboeken kan tegenkomen. Wellicht is Spinoza allereerst in beeld gekomen omdat in de negentiende eeuw een rationalistische, sciëntistische en atheïstische of op zijn minst anti-godsdienstige interpretatie van Spinoza de boventoon voerde. Deze interpretatie werd uitgedragen door Van Vloten en was in de eerste jaren van de Vereniging Het Spinozahuis hier nog bepalend voor de buitenwereld. Spinoza kon dus door katholieken gemakkelijk gezien worden als een wereldbeschouwelijke vijand - en dit gebeurde dan ook.

Ik zal de geschiedenis van de ontvangst van Spinoza in katholieke kringen in drie hoofdstukken bespreken. Allereerst besteed ik aandacht aan de afweer van Spinoza. Wat zijn in de katholieke geloofsleer en voor haar aanhangers de stenen des aanstoots? Grofweg gezegd loopt de periode van de afweer van het eind van de negentiende eeuw tot aan het begin van de jaren dertig - alhoewel de belangstelling voor Spinoza al eerder vast te stellen is en de afweer bij vele katholieken ook daarna doorgaat.16 De herdenkingen rond Spinoza’s sterf- en geboortejaar (1927 en 1932) luiden een tweede periode in: die van een voorzichtige toenadering tot Spinoza onder enkele vooraanstaande katholieke filosofen. Wat maakte deze doorbraak mogelijk: een verandering in de interpretatie van Spinoza of een wijziging in het katholieke geloof? Een derde periode ten slotte begint aan het eind van de jaren zestig wanneer in heel Europa nieuwe impulsen worden gegeven aan het Spinoza-onderzoek. Kenmerkend voor deze laatste fase is dat Spinoza door katholieken zonder meer als belangrijk denker wordt voorgesteld en geëerd. Gaat het hier om de doorwerking van de geest van het Tweede Vaticaanse Concilie of is Spinoza inmiddels zozeer bevrijd van zijn ideologische betekenis dat hij voor katholieken niet langer een bedreiging vormt maar integendeel een belangrijke bondgenoot?

I

De katholieke afweer


In de tijd van de oprichting van de Vereniging Het Spinozahuis was de filosofie in Nederland net doende uit een diep dal omhoog te kruipen. In het sciëntistische klimaat van de negentiende eeuw was voor wijsgerige bespiegelingen anders dan kennistheoretisch reflecteren nauwelijks plaats.17 De katholieken die zich rond de eeuwwisseling aan de filosofie waagden, hadden wat dit betreft dus nauwelijks een al te grote achterstand in te lopen.18 Bovendien werden de katholieke wijsgeren door hun kerk zelf aangezet zich systematisch met filosofen en filosofische vragen uiteen te zetten, zij het op één spoor: de filosofie van Thomas van Aquino. De aanzet hiertoe kwam van Paus Leo XIII die in zijn encycliek Aeterni Patris (1879) had opgeroepen het thomisme nieuw leven in te blazen.19 Vanuit België kwam de belangrijkste impuls voor de beoefening van een katholieke wijsbegeerte voort uit de oprichting van Het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte door de latere kardinaal Mercier in 1889.20 Kenmerkend voor het neo-thomisme was de negatieve houding jegens elk monisme, of deze nu van idealistische of materialistische snit was.21 Pantheïsme kon in deze omgeving nauwelijks op waardering rekenen. We zullen zien dat Spinoza bovenal in dit licht beoordeeld en uiteindelijk afgewezen wordt.22

Meteen aan het begin van ons tijdvak en zonder twijfel in onmiddellijk verband met de oprichting van onze vereniging vinden we de eerste uitvoerige katholieke reactie op het opkomende neo-spinozisme in Nederland. Het is de jezuïet Isodorus Vogels (1860-1929)23 die de strijd aanbindt in een zeer uitvoerig opstel over Spinoza, enkele jaren later aangevuld met een antwoord aan de spinozist W. Meijer. In opstel en antwoord is het Vogels vooral te doen om het karakter van de filosoof, om “Spinoza’s reinen levenswandel”, die door vereerders zo hoog geprezen wordt. Vogels acht het met name bewezen dat Spinoza vaak “dubbelhartig” was24 en ook niet uitgesloten dat de grote filosoof in zedelijk opzicht menig scheve schaats heeft gereden. Hij besluit met een pittige waarschuwing:


En brengen vrienden en vereerders van den pantheïst bijeen, wat hun van ‘s mans nalatenschap rest, het is hunne zaak. Laten ze echter het Rijnburgsche Spinoza-museum niet trachten te maken tot een heiligdom. Daartegen komt de geschiedenis in verzet.25
De veinzerij van Spinoza, het verschil tussen “innerlijke gesteltenis” en “uiterlijke hoedanigheden”26, is wellicht uit wijsgerig oogpunt weinig interessant. Bovendien getuigt Vogels oordeel wel van erg weinig inlevingsvermogen waar het gaat om de enigszins benarde positie waarin Spinoza zich in zijn tijd bevond. Wanneer men zijn betoog echter voorziet van een omgekeerd voorteken, dan verschijnt wel de interessante problematiek die pas veel later door Leo Strauss in zijn Persecution and the Art of Writing niet alleen in verband met Spinoza naar voren is gebracht. In een godsdienstige omgeving kan een filosoof niet vrijuit spreken en moet hij een stijl aanwenden die zijn gedachten laten doordringen zonder dat de aandacht van de lezers op het gevaarlijke aspect ervan gevestigd raakt. Wat betreft Spinoza kan men dan overigens zeggen, dat hij hierin niet zo erg geslaagd is: vanaf zijn eigen tijd tot de tijd waarover wij nu spreken, is het de lezers niet ontgaan dat diens denken voor heersende godsdienst, zedelijkheid en maatschappe­lijke orde verderfelijk is of kan zijn - of dit oordeel nu terecht is of niet. Vooral het pantheïsme moet het ontgelden. Men meent, overigens niet ten onrechte naar mijn idee, dat het laten vallen van het onderscheid tussen God en wereld, van de wereld een gevangenis maakt waaruit geen ontsnapping - lees: een overgang naar het burgerschap in Gods Rijk - meer mogelijk is. Vogels verbindt dit met een pessimistische levensbeschouwing die ook te vinden zou zijn bij Schopenhauer, Nietzsche en Von Hartmann, maar teruggaat op Spinoza - die er merkwaardigerwijs zelf blijmoedig onder bleef.27 Het pantheïsme zou in ieder geval tot onverschilligheid leiden, een karaktertrek die men volgens Vogels bij Spinoza terug zou vinden: zolang men hem maar met rust liet, kon hij veel verdragen.28

Evenzeer een aanval op Spinoza’s pantheïsme komt van een andere jezuïet, namelijk Joannes Kerlen (1850-1927)29 die zijn stem in hetzelfde tijdschrift verheft. Hoewel het Kerlen niet te doen is om een wijsgerige studie van Spinoza’s denken en hij zich ook nauwelijks de moeite getroost om Spinoza’s teksten tot uitgangspunt te nemen, vinden we in zijn opstel wel de kern terug van de bezwaren die ook later in katholieke kringen tegen het spinozisme te horen zijn. Spinoza’s filosofie impliceert een vergoddelijking van de wereld.30 Kerlen verklaart dan ook ronduit:


De leer van Spinoza is inderdaad lijnrecht in strijd met de leer van het christendom, de leer der Katholieke Kerk.31
Kerlen raakt er vervolgens niet over uitgepraat dat Spinoza’s God door samen te vallen met de wereld tot een monster wordt.32 Er gaapt een onoverbrugbare kloof tussen de katholieke denkwereld en Spinoza’s denkbeelden, die het blijkbaar onmogelijk maakt ook maar aan een toenaderingspoging te beginnen. Mijn indruk is dat dit met twee zaken te maken heeft. Allereerst de sterk op de eredienst gerichte religieuze beleving, die vraagt om een God waarvoor men eerbied kan hebben en tot wie men kan bidden. Dat Spinoza een dergelijke praktijk alleen maar toelaatbaar acht voor mensen die niet over voldoende geestesvermogens beschikken om de ware aard van God te aanschouwen, kan - indien men van die leer al op de hoogte was - als een belediging gelden. Maar belangrijker lijkt mij de wellicht door Augustinus geïnspireerde tegenstelling tussen de goddelijke en de wereldlijke sfeer. De scheiding tussen God en wereld moet bestaan, omdat men de wereld zelf blijkbaar als iets monsterachtigs beschouwt. Wie, zoals men meent dat Spinoza doet, God en wereld aan elkaar gelijkstelt, maakt God tot een monster en verkondigt vanuit dit gezichtspunt een ongerijmde religieuze leer. Hoe kan God samenvallen met alle onvolmaaktheid, alle lijden, alle gruweldaden die de wereld rijk is? Wanneer men meent dat godsdienst, zedelijkheid en maatschappelijke orde afhankelijk zijn van een radicaal onderscheid tussen de bron van het volmaakte en de wereld, dan lijkt het inderdaad ongerijmd Spinoza “den grootsten wijsgeer” te noemen “dien Nederland ooit heeft opgeleverd”.33 Men kan dan slechts met Kerlen verzuchten: “Arm vaderland! zoo het waar was.”

Er kunnen nog enkele anderen genoemd worden34, maar ik wil het hierbij laten. Men kan zeggen dat in de eerste periode de katholieke geloofsleer direct tegen Spinoza en het spinozisme wordt ingebracht, waarbij ook de persoonlijke aanval niet geschuwd wordt. Niettemin zullen we zodadelijk zien dat de bevordering van de studie van de thomistische wijsbegeerte haar vruchten begint af te werpen. Het fundamentele verschil in overtuiging wordt al snel met wijsgerige middelen aan de orde gesteld.



Каталог: teksten


Поделитесь с Вашими друзьями:
1   2   3   4   5   6   7




База данных защищена авторским правом ©shkola.of.by 2022
звярнуцца да адміністрацыі

    Галоўная старонка