Coachen: oude wijn rijpt in nieuwe vaten




Дата канвертавання19.04.2016
Памер51.97 Kb.

Coachen: oude wijn rijpt in nieuwe vaten


Erik de Haan en Yvonne Burger
Dr. Y. Burger en Dr. E. de Haan zijn organisatie-adviseur.1
Op dit moment geniet het vak coaching een hernieuwde belangstelling die zich in sterk uiteenlopende initiatieven bij de overheid en diverse adviesbureaus uit. Een risico is wel dat het label 'coach', dat toch al weinig wettelijke of vakinhoudelijke bescherming geniet, verder verbrokkelt. Wat moet er worden gedaan om coaching te herwaarderen en tot een zelfstandige professie te maken?



Coaching: een nieuwe trend?

Het vak coaching doet modieus aan maar heeft al een lange geschiedenis. Uit de klassieke wereld zijn ons prachtige coachingsgesprekken overgeleverd, onder meer in de dialogen van Plato en in de brieven van Seneca aan Lucilius. De oudste coach ontmoeten we in de Odyssee van Homeros: de godin Pallas Athena die in de gedaante van Mentor ondernemende stervelingen op weg helpt. Er is tegenwoordig een hernieuwde belangstelling voor deze oude traditie van werkgerelateerd leren die langs de weg van tweegesprekken verloopt. In deze gesprekken is de coach gericht op het faciliteren van het leer- en ontwikkelproces van de coachee en zorgt hij ervoor dat deze voor zichzelf zorgt. Coaching heeft tot doel de professionaliteit van de coachee te vergroten door de eigen relatie tot bepaalde ervaringen en vraagstukken te bespreken.

De bedoeling van de coach is bij de coachee reflectie te stimuleren, potentiële kwaliteiten vrij te maken en obstakels voor verdere ontwikkeling te overwinnen of weg te nemen. Het gaat om vragen als


  • hoe werkt de coachee met anderen samen,

  • hoe treedt de coachee in specifieke situaties op, zoals leidinggeven, onderhandelen, adviseren, invloed uitoefenen,

  • hoe gaat de coachee met lastige situaties om, zoals met collega’s en klanten,

  • hoe komt de coachee tot oordeels- en besluitvorming.

Deze on­derwerpen zijn niet alleen aan de vakinhoud gekoppeld, maar ook aan de persoon en de kennis en vaardigheden waarover hij beschikt, dus aan zijn manier van handelen en oor­delen. Een coachingsgesprek richt zich dus op het per­soonlijk functioneren, maar altijd in de context van de werkpraktijk.
De rol van coach werd voorheen vaak door managers en externe coaches vervuld, maar ook interne coaches worden steeds meer in organisaties opgeleid en ingezet.2 Coachen is een instrument geworden om van binnen uit organisatievernieuwing mogelijk te maken. In de vertaling van een oude traditie naar nieuwe interventies vallen ons twee belangrijke trends op:

  • Van remedial naar developmental. De negatieve status en het stigma dat op leidinggevenden rustten die een coach voor hun professionele ontwikkeling nodig hadden, lijken door een positieve status vervangen, voortkomend uit het feit dat de leidinggevende voor de organisatie blijkbaar belangrijk genoeg is om de investering in coaching te verdienen.3

  • Van sectarisch naar integratief. De meeste coachopleidingen, maar ook handboeken en wetenschappelijke artikelen, zijn vanuit één leidende benadering ontwikkeld. Dit leidt er vaak toe dat deze zich tegen coaches die zaken op een andere manier aanpakken, afzetten. Na de grote integratie binnen de psychotherapie in het afgelopen decennium (cognitive-behavioral, integrative) lijkt nu de tijd gekomen het vak coaching vanuit een integratieve houding te beoefenen.4


Het otwikkelen van een coachingsrelatie

Een eerste indruk die mensen op elkaar maken heeft invloed op het verloop van de coaching, omdat die sterk en hardnekkig kan zijn en vaak iets mededeelt over de onderliggende thematiek. Zij kan echter ook bedrieglijk zijn. Als de eerste indruk bijzonder positief of negatief is, is er vaak iets aan de hand dat een open en onderzoekende houding kan belemmeren. Het is de moeite waard al aan het begin een aantal zaken te registreren, bijvoorbeeld:



  • zijn beide gesprekspartners op tijd of komt een van hen te vroeg of te laat?

  • geven zij elkaar de hand, hoe voelt deze, kijken zij elkaar daarbij aan?

  • welke associaties wekt de persoon, aan wie doet hij je denken?

  • hoe zitten de gesprekspartners er bij? Welke lichaamstaal valt op?

  • tutoyeer je wel of niet? Breek je het ijs of geef je een formele introductie?

Er is niet één antwoord op deze vragen, maar het is belangrijk erbij stil te staan, want de ervaring leert dat kleine indrukken aan het begin later grote gevolgen kunnen hebben.

Vaak wordt het eerste begin van een coachingsrelatie door de behoeftes van coachee en coach en de mate van openheid hierover gedomineerd. Bij de coachee gaat het vaak om behoefte aan hulp, waarbij het heel wel mogelijk is dat hij een even geprononceerde behoefte aan een bepaalde vorm van hulp heeft en een bepaalde aanpak door de coach. Hij geeft dan als het ware direct aan het begin het probleem en de oplossing. Bij de coach gaat het vaak om de behoefte aan (nog) een coachee, om iemand behulpzaam te zijn en de behoefte aan bevestiging van die behulpzaamheid. Het helpt als men zich van het ontstaan van dergelijke behoeftes, het vertalen in wensen of juist het maskeren ervan in afleidingsmanoeuvres, vanaf het begin bewust is zodat het omgaan met die behoeftes, indien nodig, al aan het begin van de coachingsrelatie op een productieve wijze expliciet kan worden gemaakt.

Het is raadzaam als coach de relatie zo bewust mogelijk aan te gaan en op te bouwen. Het kan helpen geduldig en zelfs achterdochtig na te gaan hoe de coachee tot zijn vraag is gekomen en welke rol de ander geacht wordt te spelen in de vraag en de behandeling van de vraag en daarmee in de loopbaan van de coachee. Het volgende gedachte-experiment5 kan daarbij van nut zijn:


  1. Wat wil deze coachee eigenlijk? Wil hij ergens vanaf of wil hij iets bereiken? Wil hij iets onderzoeken of wil hij zich juist ergens tegen wapenen?

  2. Hoe komt de coachee tot zo’n vraag? Waar kan een dergelijke vraag nog meer mee te maken hebben, waar wijst die op? Wat zit achter de vraag verscholen? Welke voorgeschiedenis heeft de vraag en welke pogingen zijn al ondernomen?

  3. Waarom eigenlijk coaching? Wat brengt hem ertoe coaching te vragen? Wat verwacht hij daarvan? Welke aanbevelingen neemt hij daarbij over en van wie?

  4. Waarom ik? Welke verwachtingen heeft deze coachee van mij, welke vooroordelen wellicht, welke vooronderstellingen over mijn werkwijze? Waar hoopt de coachee op?

  5. Wat roept deze coachee bij mij op? Hoe zit het met de ‘klik’, de kwaliteit van ons contact? Waar doet hij bij mij een beroep op? Kan en wil ik dat bieden? Wat is mijn eigen belang? En waar hoop ik op?

  6. Welke aanpak vraagt de coachee? Welke aanpak vind ik zelf de beste is? Heeft de coachee voldoende draagkracht voor die aanpak?

  7. Wat betekent dat voor onze relatie? Hoe gaat die zich ontwikkelen? Hoe kan ik die relatie zelf al aangaan? Hoe kan ik in mijn gedrag laten zien wat voor een relatie ik voor ogen heb? Hoe kan ik al in mijn eerste ontmoeting een coachende houding aannemen?

Na het aangaan van de coaching kunnen zich vele typen coach-coacheerelaties ontwikkelen, vaak specifiek op de interactie tussen de coach en de coachee toegesneden, een werkalliantie, het repliceren van eerdere helpende relaties, het gebruik maken van de ervaring die de coachee met andere gesprekken heeft opgedaan. De volgende typische vormen van de werkalliantie kunnen worden onderscheiden:



  1. De meester/gezelrelatie, waarin de coachee praktijkvragen voorlegt en de coach zich in deze vragen inleeft en er iets verstandigs over zegt. Deze relatie bestaat vaak tussen mentor en mentee of bij supervisie.

  2. De dokter/patiëntrelatie, waarin de coachee zich binnenstebuiten keert, allerlei onzekerheden en emoties laat zien en de coach de problemen duidt en mogelijke oplossingswegen schetst. Deze verstandhouding treedt vaak ‘vanzelf’ in een emotionele setting op.

  3. De vroedvrouw/moederrelatie, waarin de coach anticipeert op problemen van de coachee en hem wapent en sterkt om die problemen aan te gaan. Deze relatie kenmerkt zich door een sterk zorgende en verzorgende coach.

  4. De peer-reviewrelatie, waarin coach en coachee samen naar de dagelijkse praktijk van de coachee kijken en deze aan een zoveel mogelijk onafhankelijk onderzoek onderwerpen. Ze zetten samen de puntjes op de ‘i’ en kijken kritisch naar aanpak en voorstellen van de coachee. Deze verstandhouding treedt vaak op in een inzichtgerichte situatie.

  5. De old-boysrelatie, waarin de coachee de coach als sparring partner opzoekt om ervaringen mee uit te wisselen en ideeën op uit te proberen. Vaak oefent de coachee ook gedragsmatig een bepaalde aanpak of gesprek met de coach. Deze verstandhouding treedt op bij coaching van hogere leidinggevenden.

In de dagelijkse praktijk zijn er allerlei mengvormen van deze typische relaties en ontwikkelt zich één en dezelfde coachingsrelatie van de één naar de ander, afhankelijk van veranderingen in de vraagstelling.

Coachingsrelaties moeten niet ongemerkt tot ‘gewone’ relaties afglijden, bijvoorbeeld die van het minnend paar, rivaliserende onderzoekers, suikeroom en lievelingsneef of ouder en afhankelijk kind. De coachingsrelatie komt in ieders leven na het aangaan van vele andere belangrijke relaties en deze relatie gaat op één of meer van haar voorgangers lijken. Dat is geen probleem, als het maar niet geheel onopgemerkt gebeurt of de essentie van de coachingsrelatie (helpend, begrensd en ten dienste van de coachee) ondergraaft.

Zolang de coach – geduldig en achterdochtig – op de aard van de relatie blijft reflecteren en zolang hij zich niet tot niet-coachende interventies laat verleiden, is de gelijkenis met andere eerdere relaties verrijkend en inzichtgevend. Krachten die in andere relaties invloed uitoefenen, zoals het streven naar inclusie, controle of affectie, gaan onafwendbaar ook in deze coachingsrelatie opspelen.6
De organisatiecoach

Coaching van individuen is tegelijk ook coaching van een organisatie, want door en in de coachee is de organisatie aanwezig. Dit is het belangrijkste verschil tussen coaching en psychotherapie: coaching is werk- en organisatiegericht en therapie staat veel meer los van de werkorganisatie als dominant systeem waarvan de cliënt deel uitmaakt.

De coachee is degene die de opbrengst van de coachingsgesprekken in de eigen praktijk vertaalt en toepast. Hij vindt met behulp van coaching nieuwe aanpassingen. De coachee is daarmee een scharnierpunt tussen coachgesprek en organisatiepraktijk. In feite betekent het aangaan van een relatie met een coach voor de coachee een extra aanpassing en het vinden van een nieuwe rol, namelijk van coachee van deze coach. Deze rol bevindt zich deels buiten de gewone werkpraktijk. Daarmee biedt die mogelijkheden om inzicht te vergaren en te experimenteren. Toch is het wel eens goed naar de coachee te kijken als een vertaler of een trait-d’union tussen coach en organisatie, vooral als blijkt dat bepaalde voorgenomen acties tijdens het coachinggesprek in de weerbarstige praktijk van alledag niet worden uitgevoerd, als de coachee vanuit de waarneming van de coach een ‘terugval’ ondergaat.

De coachee probeert zich in een binnen zijn organisatie beschikbare rol en tegelijk zijn eigen rol te ontwikkelen. Vanuit de eigen biografie draagt de coachee allerlei (gedrags)patronen met zich mee die in de invulling van de rol zichtbaar worden. Na enige tijd draagt de coachee bovendien de eigen organisatie met zich mee, als in een hologram waarvan een fragment tegelijk de gehele afbeelding toont.7 Ook de coachee laat in elk gespreksfragment elementen van de gehele emotionele ervaring in de eigen organisatie zien. Zo presenteert de coachee een compleet en persoonlijk beeld van de eigen organisatie. Problemen en emoties van de coachee kunnen vaak aan de problemen en emoties die binnen de organisatie leven, worden gerelateerd. De coach moet tijdens coachingsgesprekken regelmatig de vraag stellen: wat voor functie word ik geacht in de organisatie van de coachee te vervullen? Deze vraag geldt ook voor de coachee: wat is de emotionele ‘waarde’ van zijn rol in de organisatie?8




Coaches van binnen of van buiten

Er zijn twee kenmerken waardoor interne coaches van coaches van buiten de organisatie verschillen. De interne coach is niet echt onafhankelijk ten opzichte van de organisatie. Hij vervult daar een eigen rol en heeft een eigen (emotionele) ervaring van de organisatie. Dat maakt het soms moeilijk ´met een leeg hoofd´ objectief naar wat de coachee inbrengt, te luisteren. De interne coach beschikt over meer kennis van de organisatie en heeft een duidelijk beeld van de context waarin de coachee opereert. Dit kan een voordeel zijn ten opzichte van sommige externe coaches die deze context niet goed kunnen inschatten. Het kan ook een belemmering zijn voor een frisse en onafhankelijke inschatting van de organisatiecontext.

Er zijn verschillende overwegingen waarom een organisatie ervoor kan kiezen met interne coaches te werken. Deze overwegingen kunnen voortkomen uit overtuigingen binnen de organisatie met betrekking tot het omgaan met mensen, bijvoorbeeld als de organisatie coaching als een effectieve vorm van leren ziet en kennis en ervaring in de organisatie wil opbouwen, zodat deze er optimaal van kan profiteren of als de organisatie goede persoonlijke begeleiding van medewerkers ziet als relevant voor de effectiviteit van de organisatie en er ook tijd aan wil besteden.

Er kunnen ook praktische overwegingen zijn. De organisatie wil coachingsdeskundigheid continu beschikbaar hebben en niet afhankelijk van externen zijn. De organisatie wil de kosten in de hand houden of coaching aan bredere doelgroepen aanbieden.


Speelveld

Er zijn twee fundamentele bijdragen die een coach kan leveren. De eerste is de richting van de eigen bijdrage: is deze ruimtegevend of ruimtenemend? De coach kan er op elk moment voor kiezen in het gesprek de gedachten en bijdragen van de coachee te volgen of daar eigen gedachten en bijdragen tegenover te stellen. Zo heeft de coach invloed op de regie van het gesprek, waarin hij ervoor kan kiezen de coachee te sturen of te volgen. In het eerste geval gaat de coach iets suggereren of voorstellen, in het tweede geval stelt de coach zich ten dienste van gezamenlijke exploratie of ontdekking.

De tweede is de aard van de bijdrage: is deze opbouwend of openmakend? De coach kan er op elk moment voor kiezen voort te bouwen op de sterktes van de coachee of om de zwaktes aan de orde te stellen teneinde deze te helpen overwinnen. Zo heeft de coach invloed op (de-)construc­tie van het gesprek, waarin hij ervoor kan kiezen de coachee te ondersteunen of te confronteren.

Door combinaties van deze twee keuzes te maken ontstaat een minimaal speelveld voor de coach met vier mogelijkheden. Elk van deze vier oriëntaties leidt tot een andere gerichtheid van de coach:



  1. Persoonsgericht. Exploreren en ondersteunen, uitnodigend en begripvol volgen van de coachee. De coach probeert met de coachee mee te kijken en draagt begrip en warmte bij aan het gesprek.

  2. Inzichtgericht. Exploreren en confronteren, afstandelijk volgen van de coachee. De coach probeert te kijken naar wat de coachee weglaat en niet van zichzelf ziet, de coach draagt begrip en een onafhankelijke blik bij aan het gesprek.

  3. Probleemgericht. Suggereren en confronteren, het helpen van de coachee met suggesties en aanwijzingen. De coach probeert de coachee een nieuw kader te bieden voor de eigen vragen en draagt ideeën en aanbevelingen bij aan het gesprek.

  4. Oplossingsgericht. Suggereren en ondersteunen, het helpen van de coachee met opties en positieve feedback. De coach probeert de coachee op een positiever, opbouwender gedachtespoor te zetten en bij te dragen met suggesties voor de toekomst.



Ondersteunen
Verschillende bijdragen vanuit de coach

Binnen dit speelveld hebben de belangrijkste coachingsbenaderingen en -methodieken een plaats:



  1. Persoonsgerichte coaching is gebaseerd op de counsellingmethodieken zoals deze vooral door Carl Rogers zijn ontwikkeld.9 De coach tracht de aandacht naar binnen te verplaatsen en is daarbij vooral als een accepterende en volgende luisteraar beschikbaar.

  2. Inzichtgerichte coaching is gebaseerd op een lange traditie van psychodynamisch coachen. De coach tracht samen met de coachee de vraagstelling van binnenuit te begrijpen en komt aldus tot een van de volgende coaching­sbenaderingen: de analytische methode, de organisatiecoachmethode of de laddermethode.

  3. Probleemgerichte coaching is vooral directief van aard. De coach tracht de probleemstelling van buitenaf te verbeteren. Coachingsbenaderingen kunnen zijn de grow-methode, de ironische methode en de paradoxale methode.

  4. Oplossingsgerichte coaching is een bijzondere vorm van directieve coaching, waarin vooral naar de toekomst wordt gekeken en naar momenten waarop het probleem zich juist niet voordoet. De coach tracht problemen naar positieve voornemens en uitdagingen om te buigen.


Wat werkt voor wie?

Verschillende coachees, vraagstellingen en doelstellingen vereisen verschillende benaderingen.10 Onze conclusies, niet meer dan eerste vermoedens voor een juiste toepassing van de verschillende coachingmethodieken, staan in de volgende tabel.




Methode

Toepasbaarheid

Vooral toepasbaar bij

Vooral niet toepasbaar bij

Grow-methode

breed toepasbaar, ook bij eenvoudige, concrete vragen

hoge motivatie, maar weinig zicht op mogelijke aanpak

emotionele vragen, ongerichte vragen, dubbele bodems

Ironische methode


breed toepasbaar

vragen om advies; coachees die weinig verantwoordelijkheid nemen

gering zelfvertrouwen, gering vertrouwen in coaching

Paradoxale methode

bij dubbelzinnige, intern tegenstrijdige vragen aan de coach

sterk dubbelzinnige boodschappen en onduidelijke motivatie voor coaching

als het niet beslist nodig is

Oplossinggerichte methode

breed toepasbaar, vooral bij praktische vragen

de moed verliezen, opzien tegen de toekomst


coachees met weinig bereidheid naar eigen aandeel te kijken

Counselingmethode

breed toepasbaar, vooral in een langer durende coachingsrelatie

gebrek aan zelfvertrouwen of zelfmotivatie

behoefte aan kritische sparring partner

Analytische methode

breed toepasbaar, vooral bij gelaagde en emotionele vraagstellingen

coachees met weinig bereidheid naar eigen aandeel te kijken

snel resultaat willen bereiken, vinden van oplossingen, gering zelfvertrouwen

Laddermethode


gelaagde vraagstellingen, ook bij korte, concrete vragen

bereidheid over eigen vooronderstellingen na te denken

ongerichte vragen, sterk emotionele vragen

Met deze en andere heuristieken leren we langzaam maar zeker om oude tradities op waarde te schatten en te verdiepen in de vorm van moderne benaderingen van coaching. Oude en kostelijke wijn blijkt verder te kunnen rijpen in nieuwe vaten.



1 Dr. Yvonne Burger is zelfstandig organisatieadviseur en coach, tevens associé van Sioo, Interuniversitair centrum voor ontwikkeling op het terrein van organisatie- en veranderkunde.

Dr. Eirk de Haan is senior O.D. consultant bij Ashridge Consulting nabij Londen, zelfstandig organisatieadviseur en coach in Nederland en lid van de externe beoordelingscommissie voor certificering van de Stichting Coach.



2 Dijkstra, T. (2003). Coachen bij de overheid. Den Haag: Reed Business Information.

3 Frisch, M.H. (2001). The emerging role of the internal coach, in Consulting psychology journal: practice and research, 53.4, p. 240-250.

4 Lapworth, P., Sills, C. & Fish, S. (2001). Integration in counselling and psychotherapy: developing a personal approach. London: Sage. Haan, E. de & Burger, Y. (2004). Coachen met collega’s – praktijkboek individuele consultatie. Assen: Van Gorcum. Peltier, B. (2001). The psychology of executive coaching: theory and application. New York: Brunner & Routledge.


5 Geïnspireerd door een intake checklist van onze collega Francois Breuer.

6 Schutz, W.C. (1958). FIRO: A three-dimensional theory of interpersonal behaviour. New York: Rinehart & Company.


7 Armstrong, D. (1997). The ‘institution in the mind’: reflections on the relation of psycho-analysis to work with institutions, in Free Associations 7.41, p. 1-14.

8 Bion, W.R. (1961). Experiences in groups. Londen: Tavistock. Haan, E. de (2001). Leren met collega’s – praktijkboek intercollegiale consultatie (2e druk 2003). Assen: Van Gorcum. Haan, E. de & Burger, Y. (2004). Coachen met collega’s – praktijkboek individuele consultatie. Assen: Van Gorcum.

9 Rogers, C.R. (1961). On becoming a person – a therapist’s view of psychotherapy. Londen: Constable.

10 Zie bijvoorbeeld Wasylyshyn, K.M. (2003). Executive coaching – an outcome study. In: Consulting psychology journal: practice and research, 55.2, p. 94-106; of Roth, A. & Fonagy, P. (1996). What works for whom? – A critical review of psychotherapy research. Londen: The Guildford Press.


База данных защищена авторским правом ©shkola.of.by 2016
звярнуцца да адміністрацыі

    Галоўная старонка