Van de gelijke behandeling van elektronisch geld met waardepapieren




старонка1/5
Дата канвертавання25.04.2016
Памер191.18 Kb.
  1   2   3   4   5



PECUNIA ELECTRONICA NON OLET




Van de gelijke behandeling van elektronisch geld met waardepapieren



R.E. VAN ESCH




Pecunia electronica non olet



Van de gelijke behandeling van elektronisch geld met waardepapieren

Rede
Uitgesproken (in verkorte versie) bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar in de juridische aspecten van papierloze gegevensuitwisseling aan de Universiteit Leiden op vrijdag 21 december 2001


Door


R.E. van Esch

Mijnheer de Rector Magnificus,

Leden van het bestuur van de Stichting EDIFORUM en leden van het Curatorium van deze bijzondere leerstoel,

Zeer gewaardeerde toehoorders,




  1. Inleiding

De Romeinse keizer Vespasianus wist het eeuwen geleden al: geld stinkt niet. Vespasianus had het met name over chartaal geld, in onze tijd munten en bankbiljetten. Zijn uitspraak kan echter ook worden toegepast op elektronisch geld. Elektronisch geld is reukloos en vaak maakt het niet uit hoe men het heeft verkregen, als men het maar heeft.

Chartaal geld en elektronisch geld hebben meer overeenkomsten dan alleen de reuk. Beide worden gebruikt als ruilmiddel voor goederen of diensten. In juridische zin: beide worden gebruikt voor het voldoen van geldschulden. Bovendien zijn zij gebaseerd op dezelfde rekeneenheden. Ook het tegoed op mijn Chipknip wordt immers uitgedrukt in een breukdeel of een veelvoud van de gulden/euro als rekeneenheid.1 Voor het overige lijken chartaal geld en elektronisch geld op het eerste gezicht weinig gemeen te hebben, ook in juridische zin.2 De in de Muntwet en de Bankwet benoemde munten en bankbiljetten zijn wettig betaalmiddel. Elektronisch geld niet. Niet de wet maar de overeenkomst tussen schuldenaar en schuldeiser vormt vooralsnog de grondslag van elektronisch geld als betaalmiddel. Ook goederenrechtelijk kennen chartaal geld en elektronisch geld een aantal verschillen. Munten en bankbiljetten zijn stoffelijke objecten en daarmee zaken in de zin van art. 3:2 BW. Elektronisch geld niet. Munten en bankbiljetten kunnen voorwerp zijn van eigendom. Elektronisch geld niet. Uit deze vergelijking van chartaal geld met elektronisch geld blijkt dat wel kan worden aangegeven wat elektronisch geld goederenrechtelijk niet is. Het is echter een stuk moeilijker om aan te geven wat dan wel de goederenrechtelijke status van elektronisch geld is. In de literatuur is hieraan tot nu toe amper aandacht besteed. Toch kan de vaststelling van de goederenrechtelijke status van belang zijn voor de beantwoording van allerlei juridische vragen. Denk bijvoorbeeld aan de vraag hoe elektronisch geld kan worden overgedragen. Of aan de vraag op welke wijze er beslag kan worden gelegd op elektronisch geld.
Omdat elektronisch geld met name wordt uitgegeven door financiële instellingen zal de neiging bestaan om elektronisch geld goederenrechtelijke te beschouwen als vorderingen op naam. In deze oratie kies ik voor een andere invalshoek. Ik zal hierna na enige inleidende paragrafen ingaan op de vraag of waardebestand met elektronisch geld goederenrechtelijk op gelijke wijze kan worden behandeld als waardepapieren.3


  1. Het onderscheid chartaal geld-giraal geld

Geld wordt vaak onderscheiden in chartaal geld en giraal geld.4 Onder chartaal geld vallen dan de stoffelijke objecten waarmee de schuldenaar naar maatschappelijke opvattingen zijn geldschuld jegens de schuldeiser kan voldoen, te weten munten en bankbiljetten.5 Giraal geld betreft de vorderingen op naam die klanten op hun bank hebben wegens een tegoed op hun bankrekening. Dit onderscheid vindt men ook terug in de wettelijke regeling betreffende de verbintenissen tot betaling van een geldsom in afdeling 6.1.11 BW. Art. 6:112 BW lijkt op het eerste gezicht gericht te zijn op chartaal geld.6 Daarbij dient te worden opgemerkt dat art. 6:112 BW niet spreekt van wettig betaalmiddel, maar van geld dat op het tijdstip van betaling gangbaar is in het land in welks geld de betaling geschiedt. Wat geld is wordt bepaald door de maatschappelijke opvattingen.7 Het is derhalve niet uitgesloten dat in de toekomst andere betaalmiddelen dan chartaal geld volgens maatschappelijke opvattingen in Nederland gangbaar geld worden, waardoor de schuldeiser betaling met dat betaalmiddel niet kan weigeren. Art. 6:113 BW heeft zeker betrekking op chartaal geld. En art. 6:114 BW ziet op giraal geld.

Het elektronisch betalingsverkeer, waarbij met behulp van informatie- en communicatietechnologie een betalingsopdracht wordt verstrekt aan de bank ten gunste van de schuldeiser, wordt beschouwd als een vorm van het girale betalingsverkeer. Het elektronisch betalingsverkeer wordt dan ook geregeerd door art. 6:114 BW.8
Omdat de uitgifte en de verwerking van een betaling met de huidige vormen van elektronisch geld leiden tot een debitering respectievelijk een creditering van een rekening die door de schuldenaar respectievelijk de schuldeiser wordt aangehouden bij een bank, ligt het voor de hand om elektronisch geld te beschouwen als giraal geld en een betaling met elektronisch geld te beschouwen als een girale betaling. In deze visie is op een betaling met elektronisch geld art. 6:114 BW van toepassing en is betalen met elektronisch geld met name een verbintenisrechtelijke aangelegenheid. De schuldenaar komt zijn geldverbintenis jegens de schuldeiser na door hem een vordering te verstrekken op zijn bank. Maar is deze kwalificatie van elektronisch geld als giraal geld de enige denkbare of zijn er alternatieven? Alvorens op deze vraag in te gaan, zal ik eerst een beschrijving geven van de huidige vormen van elektronisch geld.


  1. Elektronisch geld




    1. Inleiding

Wat is elektronisch geld? Een definitie van dit begrip komen we tegen in de Europese Richtlijn betreffende instellingen voor elektronisch geld.9 Art. 1 lid 3 sub b van deze richtlijn bepaalt dat onder elektronisch geld wordt verstaan een monetaire waarde vertegenwoordigd door een vordering op de uitgevende instelling, welke:



  1. is opgeslagen op een elektronische drager,

  2. is uitgeven in ruil voor ontvangen geld dat ten minste dezelfde waarde vertegenwoordigt als de uitgegeven monetaire waarde,

  3. als betaalmiddel wordt aanvaard door andere ondernemingen dan de uitgever.

Thans kennen we twee vormen van elektronisch geld: de elektronische portemonnee en het virtueel geld. Hierna zal voor beide vormen een beschrijving worden gegeven van de processen van het verkrijgen van het elektronisch geld en van de betaalhandeling. Daarbij wordt onder de acceptant verstaan de schuldeiser die een betaling met elektronisch geld accepteert. Met de uitgevende bank wordt de bank bedoeld die de schuldenaar de instrumenten verschaft waardoor betaald kan worden met elektronisch geld.




    1. De elektronische portemonnee

Een houder van een elektronische portemonnee kan hierop elektronisch geld verkrijgen door een laadhandeling. Voor het laden kan gebruik worden gemaakt van de apparaten die daarvoor zijn opgesteld bij de banken. Daarnaast zijn er ook chipkaartlezers ontwikkeld, die het mogelijk maken om thuis via een telecommunicatienetwerk het saldo van de elektronische portemonnee te verhogen.

Voor het laden van de elektronische portemonnee dient de klant zijn chipkaart in de lezer van het oplaadapparaat te steken. Hij toetst vervolgens zijn pincode en het bedrag waarmee hij het saldo op de chip van de kaart wil verhogen, in. Na het indrukken van de “ja”-knop op het oplaadapparaat komt er een communicatiesessie tot stand tussen de microprocessor in de chip op de chipkaart en de computer van de uitgevende bank. De microprocessor in de chip op de chipkaart geeft de gegevens in versleutelde vorm door aan de computer van de uitgevende bank. De computer van de bank controleert de pincode, controleert of het saldo op de rekening van de klant voldoende is en controleert of er geen andere omstandigheden zijn die een debitering van de rekening van de klant blokkeren, zoals een faillissement. Daarna wordt de rekening van de klant gedebiteerd voor het oplaadbedrag en wordt het oplaadbedrag overgeschreven naar een tussenrekening van de uitgevende bank, de zogenaamde float. De computer van de bank geeft fiat aan de microprocessor in de chip op de kaart om het saldo van de chipkaart te crediteren met het bedrag van de oplaadhandeling. Tot slot bevestigt de microprocessor in de chip van de chipkaart de succesvolle creditering van het saldo aan de computer van de bank.
Bij betaling met de elektronische portemonnee hoeft geen gebruik te worden gemaakt van de pincode. De klant steekt zijn chipkaart in de chipkaartlezer van de acceptant of de chipkaartlezer die is aangesloten op zijn pc. Het bedrag van de transactie wordt op het display van de chipkaartlezer getoond aan de klant. Deze geeft door het indrukken van de “ja”-knop zijn akkoord voor het debiteren van het saldo op de kaart. De microprocessor in de chip op de kaart start vervolgens een communicatiesessie met de microprocessor in de chip van de chipkaartlezer. Allereerst wordt vastgesteld of er voldoende saldo op de kaart aanwezig is voor het verrichten van de verschuldigde betaling. Indien de microprocessor in de chip op de kaart heeft bevestigd dat er voldoende saldo op de kaart is, verzoekt de microprocessor in de chip van de kaartlezer om het saldo te debiteren met het bedrag van de betaalhandeling. Nadat deze debitering van het saldo heeft plaatsgevonden, wordt dit bevestigd aan de microprocessor in de chip van de chipkaartlezer, die vervolgens het saldo op de chip van de kaartlezer crediteert met het bedrag van de transactie. Deze creditering van het saldo wordt weer bevestigd aan de microprocessor in de chip op de kaart. De acceptant stuurt periodiek het bestand met gegevens omtrent het saldo op de chip in zijn kaartlezer naar Interpay. Interpay zorgt er vervolgens voor dat de bank van de acceptant de rekening van de acceptant crediteert en dat het transactiebedrag van de float van de uitgevende bank wordt overgeschreven naar de rekening van de bank van de acceptant.10


    1. Virtueel geld

De klant die gebruik wil maken van virtueel geld voor het voldoen van geldverbintenissen via Internet, krijgt van zijn bank een computerprogramma. Met dit computerprogramma en een pincode of een ander identificatiemiddel kan hij aan de bank opdracht geven om hem voor een bepaald bedrag aan virtueel geld ter beschikking te stellen. Virtueel geld bestaat uit bestanden die een bepaalde waarde vertegenwoordigen. De uitgevende bank debiteert de rekening van de klant voor het bedrag van het ter beschikking te stellen virtueel geld en schrijft dit bedrag over naar haar eigen rekening, de float. Vervolgens worden via het telecommunicatienetwerk de door de uitgevende bank verschuldigde bestanden getransporteerd naar de klant. Deze bestanden worden opgeslagen op zijn harde schijf. Omdat zij kunnen worden gekopieerd, heeft de uitgevende bank de bestanden voorzien van een uniek volgnummer. Aan de hand daarvan kan zij vaststellen of een bestand al eens eerder bij haar is aangeboden. De betreffende bestanden zijn digitaal ondertekend door de uitgevende bank.11


Indien de klant een betaling wil verrichten aan een acceptant die via Internet goederen of diensten aanbiedt en betaling door middel van virtueel geld accepteert, transporteert hij een aantal bestanden welke een zelfde waarde hebben als het bedrag van de geldschuld, naar de server van de acceptant. De acceptant kan met behulp van de publieke sleutel van de uitgevende bank verifiëren of deze bestanden met virtueel geld digitaal door de uitgevende bank zijn ondertekend en derhalve daadwerkelijk door haar zijn uitgegeven. Indien de acceptant de bestanden met virtueel geld wil verzilveren, stuurt hij de bestanden via een telecommunicatienetwerk naar de uitgevende bank. De uitgevende bank controleert aan de hand van het volgnummer van de betreffende bestanden of deze al eerder bij haar zijn aangeboden, controleert aan de hand van de digitale handtekening of deze door haar zijn uitgegeven en crediteert vervolgens de rekening van de acceptant met het bedrag van de aan haar toegestuurde bestanden met virtueel geld.12

In deze constructie dient de acceptant een rekening aan te houden bij de uitgevende bank. Ook is denkbaar dat de uitgevende bank met betrekking tot de verwerking van het virtuele geld een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten met andere banken, op basis waarvan de bestanden met virtueel geld van de uitgevende bank ook worden geaccepteerd door de andere banken. In dat geval kan de acceptant ook een rekening aanhouden bij een andere bank in het samenwerkingsverband. De bank van de acceptant crediteert na ontvangst van de bestanden met virtueel geld de rekening van de acceptant en wordt op haar beurt door de uitgevende bank gecompenseerd ten laste van de floatrekening.




    1. Waardebestand met elektronisch geld

Uit de beschrijving van het proces van opladen en van betalen van de huidige elektronische portemonnee blijkt dat er geen sprake is van een elektronisch waardebestand dat door de schuldenaar wordt getransmitteerd naar de schuldeiser, maar van een soort rekening-courant die door de microprocessor in de chip op de chipkaart wordt bijgehouden. Omdat het onderwerp van deze oratie is het gelijk behandelen van transmitteerbare waardebestanden met elektronisch geld met waardepapieren, laat ik deze huidige vorm van de elektronische portemonnee verder buiten beschouwing.

Dat wil overigens niet zeggen dat ik de elektronische portemonnee helemaal buiten beschouwing laat. De chipkaarttechnologie kan immers ook worden gebruikt voor het opslaan en transmitteren van waardebestanden met elektronisch geld.



  1. Juridische kwalificatie van betaling met elektronisch geld in de literatuur

In de literatuur is een aantal malen ingegaan op het rechtskarakter van de betaling met elektronisch geld, met name de betaling met een elektronische portemonnee. Laat ik de opvattingen eens in chronologische volgorde op een rij zetten.


Berkvens beschouwt de betaling met een chipknip als een inbetalinggeving in de zin van art. 6:45 BW.13 Hij gaat er derhalve van uit dat de schuldenaar bij een betaling met elektronisch geld aan de acceptant een andere prestatie ter voldoening van zijn geldverbintenis verschaft dan de verschuldigde prestatie.
De Rooy is van mening dat een chipknip-betaling een girale betaling is in de zin van art. 6:114 BW.14 Hij constateert dat er weliswaar verschillen zijn tussen de elektronische betaling met de betaalkaart en de pincode en de betaling met elektronisch geld, maar deze verschillen acht hij zo miniem dat een juridische gelijkstelling tussen deze twee betalingen is gerechtvaardigd.
De standpunten van Berkvens en De Rooy heb ik in 1996 besproken.15 Ik kwam daarbij tot de volgende bevindingen.

Een voordeel van de opvatting van Berkvens is dat de betaling met virtueel geld als inbetalinggeving bevrijdende werking heeft zodra de vervangende prestatie is geleverd. Dit komt overeen met het rechtsgevolg dat partijen beogen indien de schuldenaar zijn geldverbintenis jegens de acceptant voldoet met behulp van de chipknip.16 Een nadeel van de opvatting van Berkvens is dat lastig is te omschrijven wat nu de vervangende prestatie is, die de chartale of girale betaling vervangt. Bovendien is het maar de vraag of de acceptant echt een andere prestatie ontvangt dan verschuldigd is, nu hij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst waaruit de geldverbintenis voortvloeit, door een daartoe strekkend vignet heeft aangegeven een betaling met de chipknip te accepteren.



Ten aanzien van de opvatting van de Rooy kan worden opgemerkt dat een aantal rechtsregels die van toepassing zijn op de girale betaling, zich moeilijk laat verenigen met het karakter van een betaling met elektronisch geld c.q. de bedoelingen van partijen. Zo is de girale betaling krachtens de wet eerst voltooid nadat de rekening van de acceptant door de bank van de acceptant is gecrediteerd. Zie art. 6:114 lid 2 BW. Dit is in strijd met het voorgestane karakter van de chipknip-betaling, waarbij wordt uitgegaan van een direct bevrijdende betaling.17 Voorts is het de bedoeling van schuldenaar en acceptant dat een betaling met elektronisch geld niet kan worden herroepen. Een girale betaling is in beginsel wel herroepelijk.18 Bovendien kan worden opgemerkt dat bij een faillissement van een schuldenaar die zijn geldschuld voldoet door middel van een girale betaling, diens curator het bedrag van de girale betaling kan terugvorderen mits het faillissement werking heeft vóór het tijdstip waarop de rekening van de schuldeiser is gecrediteerd en de rekeningen van schuldenaar en de schuldeiser bij dezelfde bank worden aangehouden.19 Ook dit gevolg is moeilijk te verenigen met het karakter van de betaling met elektronisch geld, waar immers de creditering van de rekening van de acceptant eerst enige tijd na de betalingshandeling zal plaatsvinden. Hiervoor is immers vereist dat de acceptant de elektronische bestanden aanbiedt bij de uitgevende bank, zijn eigen bank of een vertegenwoordiger daarvan. In de praktijk gebeurt dit thans slechts periodiek en niet real time.
Dorsman en Rank zijn het met Berkvens eens. Zij achten met betrekking tot virtueel geld de kwalificatie inbetalinggeving toch het meest geïndiceerd.20 Daarbij lijkt het doorslaggevende argument te zijn dat partijen beogen dat de betaling is voltooid zodra de bestanden met het virtuele geld zijn opgeslagen op de harde schijf van de acceptant. Dit beoogde rechtsgevolg laat zich moeilijk rijmen met de girale betaling, die immers krachtens art. 6:114 lid 2 BW pas is voltooid zodra de rekening van de acceptant is gecrediteerd.
In verband met de bezwaren die kunnen worden aangevoerd tegen de kwalificatie van de betaling met elektronisch geld als een inbetalinggeving of een girale betaling, heb ik de gedachte geopperd om haar te beschouwen als een rechtshandeling sui generis, waarop de rechtsregels met betrekking tot de girale betaling analogisch kunnen worden toegepast voor zover zulks niet in strijd is met haar rechtskarakter of de bedoeling van schuldenaar en acceptant.21 Het is echter de vraag of ik mij daarbij niet teveel heb laten leiden door de discussie tussen Berkvens en De Rooy, die met name was gericht op de verbintenisrechtelijke aspecten van een betaling met elektronisch geld. Er is immers nog een heel andere invalshoek, waarvoor een –zij het minimale- aanzet kan worden gevonden in de literatuur. Wellicht dat men sommige bestanden die elektronisch geld vertegenwoordigen, zou kunnen bestempelen als waardebestanden, waaraan goederenrechtelijk dezelfde rechtsgevolgen kunnen worden verbonden als waardepapieren.22 Een dergelijke kwalificatie zou onder andere betekenen dat het waardebestand met elektronisch geld een vordering vertegenwoordigt, die door transmissie van het bestand zou kunnen worden overgedragen. Betaling met elektronisch geld zou alsdan kunnen worden gekwalificeerd als een overdracht van dit waardebestand. Hierna zal ik deze gedachte uitwerken.


  1. Inleidende beschouwingen over (het draagvlak voor) een gelijke behandeling

Een waardebestand op dezelfde wijze behandelen als een waardepapier: is daartoe dan aanleiding?


Er zijn zeker enige relevante gelijkenissen tussen elektronische waardebestanden en waardepapieren.

Een waardepapier is een papier met daarop opgeslagen een verzameling gegevens. Een waardebestand bestaat ook uit gegevens, zij het in elektronische vorm, die als zelfstandige verzameling zijn opgeslagen op een gegevensdrager zoals een chipkaart, een diskette, cd-rom of de harde schijf van de computer. Inhoudelijk kan een elektronisch bestand dezelfde gegevens bevatten als een stuk papier. Sterker nog, een elektronisch bestand kan zodanig zijn ingericht dat het bij raadpleging op het beeldscherm of bij uitprinten niet alleen dezelfde gegevens toont maar ook qua verschijning geen verschil vertoont met het papieren equivalent.


Een andere gelijkenis betreft de overdraagbaarheid, en dan niet in de juridische betekenis maar in de feitelijke betekenis van “terbeschikkingstelling aan een ander”.

Zowel waardepapieren als elektronische waardebestanden kunnen ter beschikking worden gesteld aan een ander. Papieren gegevensdragers kunnen op eenvoudige wijze ter hand worden gesteld aan een ander. Daarvoor zijn geen hulpmiddelen nodig. Voor deze terhandstelling kan gebruik worden gemaakt van een intermediair die zorgt voor het transport en de aflevering van de papieren gegevensdrager aan de ander. De terbeschikkingstelling van een elektronisch bestand kan geschieden door terhandstelling van een gegevensdrager waarop het bestand is opgeslagen, zoals een chipkaart, een diskette of een cd-rom. In dat geval is er geen wezenlijk verschil met de terbeschikkingstelling van een waardepapier. Daarnaast kan een elektronisch bestand ter beschikking worden gesteld door transmissie daarvan naar de verkrijger bijvoorbeeld met behulp van een telecommunicatienetwerk. In beide gevallen kan er sprake zijn van het ter beschikking stellen van een kopie van het elektronische bestand aan de ander.


Maar deze gelijkenissen alleen zijn niet voldoende om een gelijke behandeling te rechtvaardigen. Daarvoor moeten we terug naar de oorsprong van waardepapieren, te weten de bedoeling van partijen.

Een waardepapier is een schriftelijke gegevensdrager opgemaakt door de uitgever met de bedoeling om de nemer een schriftelijk instrument te verschaffen waarmee hij een bepaald recht, belichaamd in het geschrift, op eenvoudige wijze kan overdragen door overdracht van het waardepapier.23 Het waardepapier dankt zijn waarde en daarmee zijn rol in de (internationale) handel aan de goederenrechtelijke erkenning van deze bedoeling van partijen in rechtspraak c.q. wetgeving.24 Zonder deze erkenning zou het waardepapier niet meer zijn dan een schriftelijk bewijs van dat recht. Het recht zelf zou dan dienen te worden overgedragen met inachtneming van de rechtsregels die voor een overdracht van het betreffende recht gelden.

Ook bij het creëren van een waardebestand zouden de uitgever en de verkrijger de bedoeling kunnen hebben om de verkrijger een instrument te verschaffen om op eenvoudige wijze een recht over te dragen. Het is in beginsel mogelijk om deze partijbedoeling goederenrechtelijk door wetgeving of rechtspraak op dezelfde wijze te erkennen en te ondersteunen als is gebeurd bij waardepapieren. Is hiervoor echter thans onder juristen ten onzent en in andere landen voldoende draagvlak?
De opkomst van de elektronische handel heeft in het algemeen de vraag opgeroepen welke rechtsgevolgen dienen te worden toegekend aan het gebruik van elektronische bestanden (waaronder elektronische handtekeningen), zulks mede in het licht van de toepassing van bestaande rechtsregels. Daarbij is in eerste instantie de aandacht met name gericht op de juridische gelijkstelling van het elektronische bestand met het geschrift en de elektronische handtekening met de schriftelijke handtekening.25 De vraag of een juridische gelijkstelling op zijn plaats is, wordt meestal beantwoord door middel van een functionele vergelijking van het elektronische bestand met het geschrift en van de elektronische handtekening met de schriftelijke handtekening. Wordt op basis van een dergelijke vergelijking vastgesteld dat het elektronische equivalent dezelfde juridisch relevante functies kan vervullen als het geschrift c.q. de schriftelijke handtekening, dan wordt daaraan een zelfde juridische status toegekend. Deze functionele benadering komen we zowel in nationale als in internationale documenten en literatuur tegen.26

  1   2   3   4   5


База данных защищена авторским правом ©shkola.of.by 2016
звярнуцца да адміністрацыі

    Галоўная старонка