Trilobita agnostids




старонка2/3
Дата канвертавання27.04.2016
Памер201.68 Kb.
1   2   3

Systrematics & phylogenytrilobitomorpha.gif




As traditionally defined, the true Trilobita are divided into two main groups, the Agnostida and the Polymerida. Agnostids have sometimes been considered non-trilobites -- even crustaceans, by some -- but recent analyses (e.g. Fortey and Theron 1994) support the inclusion of the Agnostida in the Trilobita.

A third group, the Nektaspida, was not identified until the 1980s; its members include soft-bodied arthropods from the Burgess Shale such as Naraoia. Some, such as Gould (1991), have classified the Nektaspida as true trilobites; others (e.g. Simonetta and Delle Cave, 1991) have disagreed. On this cladogram, which is based on the work of Fortey and Theron (1994) and Wills et al. (1993), the Nektaspida are the sister taxon to the polymerid and agnostid trilobites; whether the Nektaspida should be considered "true" trilobites or not is largely a matter of definition.

Many other Cambrian arthropods, especially those from the world-famous Burgess Shale, were once considered probable trilobite relatives, or "trilobitomorphs." While many of these problematic arthropods are no longer thought to be related to the true trilobites, recent studies have shown that a number of them are closer to the trilobites than to any other arthropods. The term "Trilobitomorpha" is used here in this more restricted sense. Exactly how these arthropods are related to the trilobites is not yet perfectly clear, but the non-trilobite "trilobitomorphs" probably compose several clades. One of the clades that probably fits in here is called the Emeraldellida.

Yet another group of arthropods, the aglaspids, have traditionally been grouped with the chelicerates, but may be closer to trilobites. Some authors also group the emeraldellids with the cheliceramorphs as well (e.g. Simonetta and Delle Cave, 1991). Whether or not these groups actually belong to the cheliceramorphs, it seems likely that the cheliceramorphs are the closest living group to the trilobites and their relatives.
Sources:

Simonetta, A.M. and Delle Cave, L. 1991. Early Paleozoic arthropods and problems of arthropod phylogeny, with some notes on taxa of doubtful affinities. In: Simonetta, A.M. and Conway Morris, S. (eds.) The Early Evolution of Metazoa and the Significance of Problematic Taxa. Cambridge University Press, Cambridge.

Fortey, R.A. and Theron, J.N. A new Ordovician arthropod, Soomaspis, and the agnostid problem. Palaeontology 37(4): 841-861.

Gould, S. J. 1989. Wonderful Life. W. W. Norton, New York.

Wills, M. A., D. E. G. Briggs, and R. A. Fortey. 1994. Disparity as an evolutionary index: a comparison of Cambrian and Recent arthropods. Paleobiology 20(2): 93-130.




TRILOBIETEN

http://www.bloggen.be/evodisku/archief.php?ID=57

Een van de  overvloedig  voorkomende fossielen vanaf  het  vroege cambrium ( Cambrian ) , behoren tot de uitgebreide en   de succesvolle substam (biologie) der  Trilobieten (Trilobites trilobites ) ....


 ( zie ook   http://www.fossiel.net/informatie/glossarium.php?term=trilobieten
                  http://www.trilobites.info/   )

De thans uitgestorven trilobieten waren de meest voorkomende wezens in de zeeën tijdens het cambrium, ongeveer 500 miljoen jaar geleden. Uit de vroege soorten ontwikkelden zich vele andere soorten en ze bereikten hun hoogtepunt in de ordovicium-periode. Ze waren nog steeds van belang tijdens het silurium, maar daarna bleven er slechts enkele soorten meer over. De laatste trilobieten kwamen nog  voor gedurende   perm-periode, zo'n 220 miljoen jaar geleden, waarna ze voorgoed verdwenen ( de   grote   uitstervinsgolf op het einde van het perm) .



ARTHROPODA  CLADE   
30 Jul 2006 
http://www.peripatus.gen.nz/Taxa/Arthropoda/Index.html





http://biosys-serv.biologie.uni-ulm.de/Sektionsordner/Forschungsordner/london96/london96.html

Deze oude arthropoda worden door zowel   YEC  als  OEC creationisten  ook veelal  aangevoerd als een "overduidelijk  icoon//bewijs"  van de creationistische  verklaring voor   ( =de plotse creatie van de soorten door een  ID -er  )tijdens   de  "cambrische explosie " ...(1)


Eigenlijk  beweren creationisten  dat


ook binnen de soortenexplosie  van  de  trilobieten (ruim 17.000 soorten bekend  en er worden er regelmatig nieuwe gevonden ), geen  overgangsvormen(=transitionnals )  kunnen  worden waargenomen ....Overgangsvormen bestaan immers niet volgens deze creato's
en
-dat derhalve  ook de trilobieten  niet zijn verder geevolueerd
- noch verder opgesplits(= speciatie en radiatie )  in verschillende soorten waarvan de 
vele  fossiele  soorten die ondertussen zijn bekend  ____  zoals dit wordt verklaard  ; Conform de huidige consensus in de paleontologie  , zijnde  de "beste "verklaring van de waarnemingen en  het  fossielen  archief ....




The Evolution of Trilobite Body Patterning

First published online as a Review in Advance on January 29, 2007

The Evolution of Trilobite Body Patterning



Nigel C. Hughes­

Department of Earth Sciences, University of California, Riverside, California 92521; email: nigel.hughes@ucr.edu



Abstract

The good fossil record of trilobite exoskeletal anatomy and ontogeny, coupled with information on their nonbiomineralized tissues, permits analysis of how the trilobite body was organized and developed, and the various evolutionary modifications of such patterning within the group. In several respects trilobite development and form appears comparable with that which may have characterized the ancestor of most or all euarthropods, giving studies of trilobite body organization special relevance in the light of recent advances in the understanding of arthropod evolution and development. The Cambrian diversification of trilobites displayed modifications in the patterning of the trunk region comparable with those seen among the closest relatives of Trilobita. In contrast, the Ordovician diversification of trilobites, although contributing greatly to the overall diversity within the clade, did so within a narrower range of trunk conditions. Trilobite evolution is consistent with an increased premium on effective enrollment and protective strategies, and with an evolutionary trade-off between the flexibility to vary the number of trunk segments and the ability to regionalize portions of the trunk.

bron ;
http://arjournals.annualreviews.org/doi/abs/10.1146/annurev.earth.35.031306.140258?journalCode=earth




Indeling Trilobieten 
A Guide to the Orders of Trilobites























 Click on any of the images above to be sent to a page featuring details on trilobites in that Order
...

Trilobite Order Galleries


trilobite images from various locations on the web, arranged by order





















Agnostida

Redlichiida

Corynexochida

Odontopleurida

Lichida

Phacopida

Proetida

Asaphida

Harpetida

Ptychopariida

Click on any of the images above to be sent to a gallery featuring photos of trilobites in that Order


De evolutie  van de trilobieten is namelijk  zo  uitgebreid ,divers en relatief( geologisch )  zo  snel (2) gebeurt  dat deze vondsten uitstekende  gidfossielen (3)  blijken te zijn 

Trilobieten   komen over de  gehele wereld als  fossiel  voor (http://www.fossiel.net/vindplaatsen/vindplaatsensoort.php?soort=trilobieten) :

Een   vroeg   voorbeeld  waarbij   de  oudste en meest "primitieve )trilobieten ( voornamelijk  de  orde  Redlichiida (in het bijzonder de Suborde Olenellina)  in evolutionaire  en  geologische( stratigrafische )  series(4) voorkomen ( samen met  andere  getuigen van de toenmalige fauna's ) zijn te vinden  in california
(   http://www.ucmp.berkeley.edu/cambrian/marblemts.html  )

Trilobieten series  in de Marble &  Providence Mountains  ca 



Bekijk de afbeelding op ware grootte.

  


The Latham Shale, Marble Mountains, San Bernadino County, California.

 
www.ucmp.berkeley.edu/cambrian/marblemts.html


http://members.cox.net/jdmount/cambmojave1.html

 


Text-fig. A


 
B ristolia insolens, trilobietkop-pantser uit de bovenste/jongste  laag van de formatie  .



Bristolia Bristolia insolens (Resser, 1928). Cephalon. 
Onder- Cambrium, Latham shale, dicht bij de top van de formatie /Cadiz, San Bernadino County, CA.

Bristolia bristolensis  trilobietkop-pantser uit de midden laag  van de serie .


Latham shale,( vroeg cambrium)   San Bernadino County, CA.

Olenellus mohavensis, trilobietkop-pantser uit de midden-  laag  van de formatie.


Olenellus fremonti, trilobietkop-pantser uit de onderste/oudste  laag  van de serie .



Olenellus fremonti (Walcott, 1910). >
laag Cambrium , Latham shale, about 10m boven de basis  van de formatie /Cadiz, San Bernadino County, CA
Onder der  trilobiten van de Latham Shale bevindt één soort die erg  lang grotendeels morfologisch onveranderd (= stasis ? )aanwezig  blijft  in het fossielen verslag:   . Mesonacis fremonti zit in dezelfde laag  als  Olenellus clarki en de  Bristolia mohavensis, maar  het blijft aanwezig tot  en met   het einde van de  Latham Shale  en gaat  verder  in de Cadiz formatie. 
Het  stratigrafische voorkomen van deze soort overtroeft alle bekende trilobieten uit de lagen van de   Latham, Chambless Limestone, en  Cadiz Formaties !
De details  van deze  belangrijke stratigradfische  verdeling van deze soort  ,  zijn  te vinden  in het  "paper " van Webster et al
(2003)
, available in pdf here.

Mesonacis fremonti

Afstamming en verwantschappen 
http://www.trilobites.info/origins.htm


http://www.trilobites.info/triloclass.htm


In this classification, Trilobieten zijn een   klasse  binnen de supergoep  Arachnomorpha,
Een van de twee  o Superclassen  binnen   het   Subphylum Schizoramia van he   tphyllum   Arthropoda.

(©2000 by S. M. Gon III, created in Macromedia Freehand 8.)

 Van Parvancorina tot                  Trilobiet Clade van de  
Trilobiet                                   Arachnomorpha 
 

 


Parvancorina minchami – een van de oudste  arthropoden( Laat precambrium/begin cambrium)  , een vroege voorloper-  trilobiet(?)  (Fortey et al. 1996).
http://www.peripatus.gen.nz/Taxa/Arthropoda/Trilobita/TriOri.html
http://gsa.confex.com/gsa/2003AM/finalprogram/abstract_59267.htm


Systematische verwantschap  en  verdeling over de geologische tijd  van de  verschillende   trilobieten  orden


In deze figuur  is     Redlichiida , voorgesteld  als de basale ( primitieve )trilobieten - orde  ____ te vinden in de  afzettingen striktbepaerkt tot  het cambrium 
http://www.trilobites.info/ordredlichiida.htm

( ©2007 by S. M. Gon III, created using Macromedia Freehand and PaintShop Pro


Thanks to Nigel Hughes for stimulating discussions leading to revisions of this figure.
As of June 2007, a version of this figure was published in Hughes 2007.
http://www.trilobites.info/triloclass.htm#orders   )




NOTEN

(1) 
bijvoorbeeld 



De Yec/ID  creationist  Peter Borger   ; 
"....Het waren gewoon multipurpose genomes waar de trilobieten over beschikten. Vol met genetiese redundanties en Variatie Inducerende Genetiese Elementen (VIGEs) die chromosomen transloceren en aldus de bouwplannen wijzigen.  "
.....Het gaat hier echter  wel  over de  verwantschappen  en soortvorming van 15.000  t/m 17000 bekende  species gespreid vanaf het vroegste cambrium t/m het einde van het Perm....zie ook  (2b)

( Uit  de onnoemelijke  YEC  site  " Evobeliever " /( vertalingen  van  artikels uit   "creation science"  )
"  ....Neem de trilobieten als voorbeeld. Deze fossielen zijn zo gewoon dat u er een kan kopen onder de 15 €, maar er werden nooit fossielen van een voorouder gevonden!XML:NAMESPACE PREFIX = O /> 


 
..."

de "oude aarde" ( islamisme ) creationist  Harun Yayah :



" levende wezens die in de laag gevonden worden die tot het Cambrium behoorde, verschenen opeens in het fossielenarchief - er zijn geen voorouders die eerder bestonden. De fossielen die in de rotsen van het Cambrium gevonden zijn, zijn van slakken, trilobieten, sponzen, aardwormen, kwallen, zee-egels en andere ingewikkelde ongewervelden. Dit omvangrijke mozaïek van levende wezens vormde zo'n groot aantal ingewikkelde levensvormen, die zo plotseling verschenen, dat deze wonderlijke gebeurtenis in de geologische literatuur wordt aangeduid met de 'Explosie van het Cambrium'.


Trilobieten-fossielen  met hun skelet, complexe ogen en ledematen, 'verschijnen' verbazingwekkend  in  de  lagen  van de "ongeëvenaarde " cambrische  explosie van leven op aarde
Levensvormen ( ook de   trilobieten )blijken complex te zijn, zelfs die welke werden aangetroffen in de ''oudste' lagen van het fossiele verleden.
Zo blijken verschillende soorten trilobieten  een zeer geavanceerd gezichtsvermogen te hebben.
Toch beweren evolutionisten dat deze wezentjes zich waarschijnlijk geleidelijk ontwikkeld hebben in de tijd dat de eerste meervoudige levensvormen zich beginnen te ontwikkelen, zo'n veronderstelde 620 miljoen jaren geleden

1.- Veel primitievere  (= de oudste ) trilobieten bezitten GEEN   ogen
2.- Hoe meer variatie een soort( en uberhaupt later gedivergeerde  verschillende soorten ) kent, hoe meer ruw materiaal natuurlijke selectie heeft om mee te werken.


( voozichtige  creationisten claimen  enkel   ;)
In 'oudere' aardlagen zijn geen voorlopers van trilobieten gevonden.
Ze verschenen dus volledig gevormd, met al hun organen en structuren.

Maar de trilobieten  stierven ook volledig uit /in hoeverre  is dit verzoenbaar met creatie ? 
Wat is het nut geweest van deze dieren, als het einddoel de mens en de natuur om hem heen is?
Waartoe hebben de dinosauriërs geleefd, en de trilobieten?

Voor de richtingloze natuurlijke selectie is de wereld op elk moment af.
Waarom de trilobieten 350 miljoen jaar geleden bleken verdwenen te zijn is niet meer te achterhalen
maar we hebben de zekerheid dat dit ons  ook te wachten staat en alle logica laat vermoeden dat daarmee ook het zelfbewustzijn zal verdwenen zijn van deze aarde.


 

(2)
a)  Het tempo  van de  veranderingen( en aanpassingen )  werden vooral  veroorzaakt door de vele tektonische  , klimatologische  e.a. geologische en fysico-chemische   fenomenen die aan het begin en tijden het cambrium schering en inslag waren op deze planeet...




http://findarticles.com/p/articles/mi_qa3790/is_199903/ai_n8829266/pg_1

Testing the Darwinian legacy of the Cambrian radiation using Trilobite phylogeny and biogeography
Journal of Paleontology,  Mar 1999  by Lieberman, Bruce S

ABSTRACT-
Since the publication of Darwin (1859), the biological meaning of the Cambrian radiation *  has been debated.
Most commentators agree, however, that the Cambrian radiation is fundamentally a time of major metazoan cladogenesis.
In and of itself this does not necessarily mean that unique evolutionary processes operated during the Cambrian radiation.
Phylogenetic analysis has been used to study the tempo of speciation during the radiation, and thus far there is no need to invoke special rules relating to the tempo of evolution. Instead, what seems unique about the Cambrian radiation is its place as an important episode in the history of life-that is, as the first major radiation of the Metazoa.
Although the tempo of evolution during the Cambrian radiation may not have been uniquely high, there were largely unique tectonic events that transpired during the late Neoproterozoic and Early Cambrian, such as extensive cratonic fragmentation. Biogeographic analysis of Early Cambrian olenelloid trilobites reveals that these tectonic events powerfully influenced evolutionary and distributional patterns in this diverse and abundant trilobite group.

This emphasizes the importance of physical earth history in generating evolutionary patterns.


In the general study of macroevolutionary patterns and processes, earth history phenomena emerge as powerful forces influencing the history of life and provide insights into evolution that can best be inferred by paleontological data.

* Cambrian radiation ( =cambrische "vertakkingen " van de levensboom  in  phyla )  = Creationisten  spreken natuurlijk  liever van "cambrian explosion "




b) Snelle evolutie ( althans = SPECIATIE , ( specifieering=soorten-onstaan  door  bijvoorbeeld  ecomorfen )  en het  geologisch  erg  vlug onstaan van soortenzwermen    ) is ook geopperd   bij de CICHLIDENANOLIS HAGEDISSEN  en


(vermoedelijk ) de oude  fossiele  Coelacanthen  ....

(3)
voorbeeld van enkele Gidsfossielen ( =Index fossil  )





List of Common Index Fossils

Fossil

Scientific Name

Time Period

Million Years Ago


Calico Scallop

Pecten gibbus
Argopectin gibbus

Quaternary Period

1.8 MYA




Neptunea tabulata

Quaternary Period

1.8 MYA




Calyptatraphorus velatus

Tertiary Period







Venericardia planicosta

Tertiary Period





Scaphites

Scaphites hippocrepis

Cretaceous Period

144 to 66.4 MYA

Inoceramus

Inoceramus labiatus

Cretaceous Period




Perisphinctes

Perisphinctes tiziani

Jurassic Period







Nerinea trinodosa

Jurassic Period







Trophites subbullatus

Triassic Period







Monotis subcircularis

Triassic Period







Leptodus americanus

Permian Period




Parafusulina

Parafusulina bosei

Permian Period







Dictyocostus americanus

Pennsylvanian Period







Lophophyllidium proliferum

Pennsylvanian Period







Cactocrinus multibrachiatus

Mississippian Period







Prolecanites gurleyi

Mississippian Period





Mucrospirifer

Mucrospirifer mucronatus

Devonian Period

416 to 359 MYA




Palmatolepus unicornis

Devonian Period





Ammonite

Ammonite jeletzkytes

Late Silurian to Early Devonian

400 MYA




Cystiphyllum niagarense

Silurian Period







Hexamoceras hertzeri

Silurian Period




Trilobite

Bathyurus extans

Ordovician Period







Tetragraptus fructicosus

Ordovician Period







Paradoxides pinus

Cambrian period





Trilobite

See list of trilobites

Cambrian Period

540 MYA




Billingselia corrugata

Cambrian Period







 

Enkele cambrische  trilobieten van groot  biogeografisch /biostratigrafisch belang 

Biostratigrafie


 <   <
Marella

 

 





This fascinating reconstruction of Marrella, prepared using the ink wash technique, was found in the drawers containing archival collections belonging to Charles Doolittle Walcott (1850-1927), fourth secretary of the Smithsonian Institution and discoverer and collector of the famous fossils of the Burgess Shale. Marrella is one of the most common fossils found at the Cambrian Burgess Shale locality in British Columbia, Canada.

 


Publication:
Walcott, Charles Doolittle. Addenda to Descriptions of Burgess Shale Fossils. Smithsonian Miscellaneous Collections, Volume 85, Number 3. Figure 9. Published by the Smithsonian Institution, City of Washington, June 29, 1931.

 

http://www.volkskrantblog.nl/bericht.php?id=40809http://www.volkskrantblog.nl/bericht.php?id=18516 


1   2   3


База данных защищена авторским правом ©shkola.of.by 2016
звярнуцца да адміністрацыі

    Галоўная старонка