De schilders Bruegel




Дата канвертавання19.04.2016
Памер14.67 Kb.
De schilders Bruegel

Bruegel, ook Brueghel of Breughel, familie van Zuid-Nederlandse schilders. Pieter de Oudere zou meestal Bruegel, de volgende generatie Brueghel, en de derde generatie Breughel hebben geschreven. De belangrijkste leden van het geslacht zijn:



Pieter

of (Peter) de Oudere (Breugel, bij Eindhoven, of Brogel, bij Bree, ca. 1525 – Brussel 5 sept. 1569), ging volgens Van Mander in de leer bij Pieter Coecke van Aelst en bij Hiëronymus Cock, beiden te Antwerpen. Hij werkte samen met Pieter Balten in Mechelen aan een altaarstuk (1550). In 1551 werd hij ingeschreven als vrijmeester van het St.-Lucasgilde te Antwerpen. Hij reisde via Frankrijk en de Zwitserse Alpen naar Italië, bezocht o.a. Rome, Napels en Messina en keerde in 1553 naar Antwerpen terug; tien jaar later verhuisde hij naar Brussel. Hij huwde er met Mayken Coecke, dochter van Pieter Coecke van Aelst en Maria Verhulst, alias Bessemers, en vestigde zich in Brussel.

De artistieke loopbaan van Pieter Bruegel is kort geweest. Ruim genomen is van hem een vijftigtal schilderijen bekend. Het merendeel daarvan is gesigneerd en gedateerd; de vroegste stammen uit de tijd na zijn terugkeer uit Italië, hoewel enkele tekeningen voor of tijdens de reis zijn gemaakt. In deze bladen kondigt zich al de grote landschapschilder aan.

Afgezien van enkele jeugdwerken, zoals De haven van Napels (1553–1554, Galleria Doria, Rome), De dood van Maria (1556, Upton House, Warwickshire) en Landschap met zaaier (1557, National Gallery, Washington), begint zijn ontwikkeling als geniaal schilder in 1559, het jaartal dat op twee belangrijke werken voorkomt: De spreekwoorden (Staatl. Museum, Gemäldegalerie, Berlijn) en De strijd tussen carnaval en vasten (Kunsthistorisches Museum, Wenen). Het eerste is als een encyclopedie in beeld van 16de-eeuwse Vlaamse spreekwoorden en gezegden, met de bedoeling de menselijke dwaasheid te vertolken; het tweede heeft nagenoeg dezelfde bedoeling: het volk viert carnaval tussen kerk en kroeg, het kerkelijk feest ontaardt in een vertoon van de meest onchristelijke en onzinnige verdeeldheid. De Kinderspelen (1560, Kunsthistorisches Museum, Wenen) worden voorgesteld in een ruimte die links een weids rivierlandschap vormt en zich rechts in een eindeloze straat uitstrekt; Bruegel schijnt hier een proefstuk van perspectiefkennis op Italiaanse wijze te willen geven. Triomf van de dood (1561–1562, Prado, Madrid) is een hels visioen: de mens vecht wanhopig tegen de dood, die niemand ontziet en onverbiddelijk een einde maakt aan macht, rijkdom en genot. In Dulle Griet (1561–1562, Museum Mayer van den Bergh, Antwerpen) heersen waanzin en boosheid; de razende helleveeg waagt het zelfs tot voor de poort van de hel te roven; de bijkomstige personages en tonelen zijn even hallucinerend en fantastisch als de waanzinnige Griet. Dit werk staat zeer dicht bij Bosch, evenals De engelenval (1562, Kon. Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel), die als een tegenhanger van Dulle Griet kan worden beschouwd, omdat hier het goede over het kwade zegeviert. Met dit werk begint Bruegel een eerste reeks bijbelse voorstellingen, waartoe Sauls zelfmoord (1562, Kunsthistorisches Museum, Wenen) behoort. Een immense massa krijgers krioelt als mieren over de bergruggen. De nietigheid van de mens treedt nog sterker naar voren in de grote Toren van Babel (1563, Kunsthistorisches Museum, Wenen) en in de zgn. kleine Toren van Babel (1563, Museum Boymans-van Beuningen, Rotterdam). Honderden minuscule figuurtjes lopen verloren op het reusachtige monument dat nooit voltooid werd. Het onbegrip van de mensheid is ook weer het thema in Kruisdraging (1564, Kunsthistorisches Museum, Wenen), waar de meeste toeschouwers zelfs geen acht slaan op de Christus, die struikelt onder de last van het kruis. Aansluitend aan deze groep schilderde Bruegel in 1564 Aanbidding der wijzen (National Gallery, Londen) die is samengesteld uit grote figuren en gedeeltelijk teruggaat op de voorstellingswijze van de Vlaamse Primitieven. De figuren, ook de twee blanke koningen, zijn echte volkstypen.

Het jaar 1565 is het meest vruchtbare geweest van Pieter Bruegel; het was ook in dat jaar dat hij zijn beroemde landschappen schilderde. De belangrijkste zijn de twaalf maanden, een reeks van zes grote panelen, die elk twee maanden voorstellen. Hiervan zijn er vijf bewaard gebleven: Jagers in de sneeuw (december, januari), De duistere dag (februari, maart; beide Kunsthistorisches Museum, Wenen), Hooioogst (juni, juli; Nationaal Museum, Praag), De oogst (augustus, september; Metropolitan Museum, New York) en De terugkeer van de kudde (oktober, november; Kunsthistorisches Museum, Wenen). Deze vijf meesterwerken behoren tot het beste dat in de Nederlanden op het gebied van landschapschildering is voortgebracht. Na deze grote serie volgden enkele bijbelse voorstellingen die zich in een landschap afspelen: De volkstelling te Betlehem (1566, Kon. Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel), De prediking van St.-Jan (1566, Museum voor Schone Kunsten, Boedapest) en Bekering van Paulus (1567, Kunsthistorisches Museum, Wenen). De schilderijen Boerenbruilof (1565–1566) en Dansende boeren (1565–1566; beide Kunsthistorisches Museum, Wenen) tonen duidelijk hoe Bruegel naar de figurencompositie overging. Deze treft men eveneens aan in Luilekkerland (1567, Alte Pinakothek, München), De misantroop (1568, Museo di Capodimonte, Napels), De kreupelen (1568, Louvre, Parijs) en in het indrukwekkende De parabel van de blinden (1568, Pinacoteca di Capodimonte, Napels), alle getuigenissen van een tot volle rijpheid gegroeid talent en van een grote, warme persoonlijkheid, die vol bekommernis om het lot van de mensheid haar gebreken ook aan de kaak stelt. Andere opmerkelijke panelen uit Bruegels laatste levensjaren zijn: De storm (1567, Kunsthistorisches Museum, Wenen) en Ekster op de galg (1568, Hessisches Landesmuseum, Darmstadt), een onovertroffen zeestuk resp. een schitterend landschap, beide mogelijk ook met symbolische inhoud.

Pieter Bruegel zette de traditie van zijn grote voorgangers voort. Door zijn zin voor realisme onderscheidt hij zich sterk van zijn Italianiserende tijdgenoten: zochten dezen hun inspiratie en vormentaal bij buitenlandse meesters, Bruegel keek naar zijn eigen boerenvolk en naar het land waarin dit volk zich volgens de harde wetten van het lot een bestaan zocht. Als geniaal meester heeft hij verscheidene kunstenaarsgeneraties beïnvloed, zelfs nog in de tijd toen Rubens de Vlaamse schilderkunst naar een nieuw hoogtepunt voerde. Studies hebben aangetoond dat de 82 tekeningen ‘naer het leven’ niet van Bruegel maar van Roeland Savery zouden zijn.



Pieter II de Jongere

bijgenaamd: de Helse Brueg(h)el (Brussel 1564 – Antwerpen 1638), oudste zoon van Pieter Bruegel de Oudere, schijnt tot 1585 in het atelier van Gillis van Coninxloo te zijn opgeleid. In 1585 werd hij als meester ingeschreven in het St.-Lucasgilde te Antwerpen. Tot zijn leerlingen behoorden zijn zoon Pieter III en Frans Snijders. Pieter II kopieerde vele werken van zijn vader of volgde ze, met enkele varianten, voortreffelijk na. Zijn originele scheppingen zijn belangrijk, omdat zij het werk van zijn vader tot een goed eind in de 17de eeuw voortzetten, hoewel ze de geniale toets die het oeuvre van de vader kenmerkt, missen. Van Pieter de Jongere zijn bovendien enkele hellescènes bekend. Hieraan heeft hij wellicht zijn bijnaam te danken.

Werk van Pieter II de Jongere bevindt zich o.a. in Museum Mayer van den Bergh (Antwerpen), Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België (Brussel), Galerie Neue Rezidens (Bamberg), Uffizi (Florence), Pinacoteca di Capodimonte (Napels), Bonnefanten Museum (Maastricht), Museo del Prado (Madrid), Nationaal Museum (Praag).

Jan I de Oudere

bijgenaamd: de Fluwelen Brueg(h)el (Brussel 1568 – Antwerpen 13 jan. 1625), tweede zoon van Pieter Bruegel de Oudere, werd na de dood van zijn vader opgevoed door zijn grootmoeder Mayken Verhulst, en ging daarna te Antwerpen bij Pieter Goetkint in de leer. In 1589 vertrok hij naar Italië, waar hij verscheidene steden bezocht. In 1596 in Antwerpen teruggekeerd, werd hij daar meester en was in 1601 en 1602 deken van het St.-Lucasgilde. Reeds tijdens zijn leven was hij een gezien meester. Als hofschilder van de aartshertogen Albrecht en Isabella leverde hij ook aan andere Europese vorstenhuizen. Hij was bevriend met Peter Paul Rubens, die enkele van zijn werken met figuren stoffeerde, evenals Hendrik van Balen, Hans Rottenhammer, F. Francken en anderen dat deden. Zijn opmerkelijkste leerlingen waren Daniël Seghers en Abraham Govaerts. Hij muntte uit in het schilderen van landschappen en bloemstukken; zijn woudinterieurs staan dicht bij die van Gillis van Coninxloo in diens Amsterdamse periode. Vele van zijn landschappen zijn met allegorische, mythologische en bijbelse voorstellingen gestoffeerd. Ook andere onderwerpen beeldde hij uit: een groot aantal kleine dorps- en riviergezichten met talrijke figuurtjes stellen genreachtige taferelen uit het boerenleven voor. Van uitzonderlijke schoonheid en getuigend van een verrassende vaardigheid en een verfijnd kleurgevoel zijn zijn bloemstukken.

Werk van Jan I de Oudere bevindt zich o.a. in Museum Mayer van den Bergh (Antwerpen), Uffizi (Florence), Pinacoteca di Capodimonte (Napels), Rijksmuseum (Amsterdam), Mauritshuis ('s-Gravenhage), Bonnefanten Museum (Maastricht), Städelsches Kunstinstitut (Frankfurt a/M), Hessisches Landesmuseum (Kassel), Alte Pinakothek (München; 30 schilderijen), Gemälde Galerie (Dresden), Musée du Louvre (Parijs), National Gallery (Londen), Wellington Museum (Londen), Museum voor Schone Kunsten (Boedapest), Kunsthistorisches Museum (Wenen; 20 schilderijen), Museo del Prado (Madrid; 40 schilderijen).

Pieter III

(geb. Antwerpen 6 juli 1589), zoon van de Helse Brueg(h)el, staat in 1608 voor het eerst in de liggeren van het Antwerpse schildersgilde. Volgens dezelfde bescheiden zou hij in 1626–1627 Gonzales Coques als leerling hebben gehad, hoewel sommige auteurs beweren dat de Helse Brueg(h)el zelf diens leermeester zou zijn geweest. Er zijn weinig werken van hem bekend.



Jan II de Jongere

(Antwerpen 1601 – aldaar 1678), oudste zoon van de Fluwelen Brueg(h)el, kopieerde voor kunsthandelaars landschappen en bloemstukken van zijn vader, die soms als authentiek werden verkocht en vaak moeilijk in stijl van die van Jan de Oudere zijn te onderscheiden. Uit enkele gesigneerde werken blijkt dat Jan II minder precies tekende en dat zijn coloriet wat lichter was.


База данных защищена авторским правом ©shkola.of.by 2016
звярнуцца да адміністрацыі

    Галоўная старонка